Oud Naarden en Almere


In 1977 werd tijdens de restauratie van de Grote of St. Vituskerk in Naarden-Vesting bij graafwerkzaamheden in de kerk een altaarsteen opgegraven.

(De foto hiervan is te vinden op de homepage van de gemeente Naarden)

Het verhaal gaat dat deze steen op de foto afkomstig is van de Naruthikerk uit de 8e eeuw.


Onderzoek wijst op de stichting van een kerk bij Naruthi in de 8e eeuw na Christus. Vanuit deze kerk, die aan St. Salvator was gewijd en vermoedelijk gesticht werd nabij de Venusheuvel, een oude Germaanse cultusheuvel, zou aan het eind van de 8e eeuw de kerstening van het Gooi door Liudger zijn begonnen.

Keizer Otto I gaf bisschop Liudger toestemming tot het oprichting van het klooster Werden (thans Essen, Duitsland).

Liudger kerstende aan het eind van de 8e eeuw het Gooi, vermoedelijk vanuit de nederzetting Naruthi. Liudger was een vertrouweling van Keizer Otto. De eerste vermelding van Nardinclant is afkomstig van een goederenlijst van het klooster van Werden.

Liudger stichtte in 797 het klooster in Werden en dat verklaart de geestelijke en wereldlijke zeggenschap van het Duitse Werden over Nardinclant.

In ieder geval spreekt een goederenlijst van het klooster uit de 9e eeuw over een kerk niet in maar bij Naruthi en over kerklanderijen "fan Almeri te Tafalbergon'.

De tufstenen kerk in Romaanse stijl, die later in de nederzetting Naruthi werd gebouw, moet het belangrijkste bouwwerk zijn geweest, omgeven door plaggenhutten en houten huizen.

Op een bekende kaart van Jansonius uit 1658 is de ligging van twee locaties met de naam 'Naerden' ingetekend. Op moderne kaarten staat nog steeds Oud-Naarden vermeld, meestal als aanduiding voor de inmiddels gesaneerde uitspanning Oud Naarden.

Dat is evenwel niet de plek waar van het oorspronkelijke Naarden. Die ligt vanaf de Vijverberg een paar honderd meter verder in het Gooimeer, op de gemeentegrens met Almere.

De eerste keer dat aanwijsbaar in de geschiedenis over Naarden gesproken wordt betreft een goederenlijst.

De goederenlijst dateert van de 9e eeuw en spreekt over een kerk niet in maar bij Naruthi en over kerklanderijen "fan Almeri te Tafalbergon".

De naam Almere , allemaal meren, is dus ook al heel oud.

Rond "Tafalbergon" , overigens niet het huidige Tafelbergen, een hoogte dus moeten zich meertjes en moerassen hebben bevonden.

Vlakbij de zandhoogte liep vermoedelijk een nauwe kreek. 'Naru' is oud-germaans voor 'nauw'.


De nederzetting Naruthi, inmiddels bekend onder de naam Naerden, kende vanaf 1430 stadsrechten en bezat in het begin van de vijtiende eeuw het stapelrecht van vis over de kuststrook, gelegen tussen Muiden en Harderwijk.

Het 'Kabeljauwse nest Naerden' werd in 1350 hoogstwaarschijnlijk met medeweten van de Utrechtse bisschop Jan van Arkel door een bende 'Hoeken' uit Utrecht en Amersfoort aangevallen, geplunderd en uitgebrand.

De vernietiging van het oude Naarden wordt door historicus De Vrankrijker als het begin van de Hoekse en Kabeljouwse twisten beschouwd.

Graaf Willem de V zette zich in voor de herbouw van het ' goede en getrouwe Naarden' op een nieuwe strategisch beter gelegen plek en startte vermoedelijk met de bouw van een militair steunpunt (slot?) op de plek, waar nu de Grote Kerk staat.

Het verwoeste en verlaten oorspronkelijke stadje raakte daarna overspoeld door het zeewater, dat per eeuw (gemiddeld) honderd meter 'Naerdincklant' veroverde. We spreken daarom ook wel over Naruthi of Oud-Naarden als het 'verdronken Naarden'.


Een oude Gooise legende wil, dat 'Nerden' gesticht is door twee reuzen met de namen Ner en Wer. Deze reuzen huisden in een burcht in de Lage Vuursche, op de plek waar nu paleis Soestdijk staat.

Uiteraard een mythe, maar een mythe is veelal toch opgebouwd rond werkelijke historische zaken als namen en plaatsen.

Vaststaat dat de Vuurse bossen nabij Baarn net als het oerbos Gooierbosch ten zuiden van Hilversum tot het grondgebied van Nardinclant hebben behoord.

Ner zou kunnen zijn afgeleid van het Germaanse Naru of de naam Nerden, die in de middeleeuwen gebruikelijk was.

Wer zou verband kunnen houden met Werden, de plaats in Duitsland, waar Liudger het klooster stichtte, dat het gezag over Nardinclant voerde. Oorspronkelijk stond volgens overlevering op de plek van paleis Soestdijk 'Narwaershof'.

Nardinclant en die Goedela (Godelinde)


Keizer Otto I stemde bij charter in 968 in met de schenking van
leenheer Graaf Hamaland (Zevenaar) II aan zijn dochter Luitgardis, de eerste abdis van de toen nog jonge abdij van Elten(Duitsland).

Het stift Elten was toen een soort dure kostschool voor adelijke dames.

Veelal brachten de maagden daar hun tijd door in afwachting van een geschikte huwelijkskandidaat.

(Dus aan deze Kostschool werden de Gooise koptienden besteed. En de dames maar bidden om een man!).


Dit charter van 29 juni 968 is de oudste oorkonde over Gooiland of historisch juister: Nardinclant, zoals het gebied tussen Vecht en Eem toen heette.

Verkocht in 1280 bepaalde gebruiksrechten van Nardinclant aan Graaf Floris. Floris ondertekende de overeenkomst tijdens de belegering van een kasteel, dat toebehoorde aan de Van Amstels.

In 1296 was het Gerard van Amstel, die Floris vijf dolksteken toebracht.

De grond van het Gooi bleef tot 1811 in eigendom van het klooster uit Elten (Duitse buurgemeente van de Nederlandse gemeente Lobith).

Op last van Napoleon werden het vrouwenklooster ontmanteld. Het schilderij waarop Gudela staat afgebeeld hangt in de Schilderijenzaal van het Stadsarchief (Burger Weeshuis).

Ondanks de afstand van rechten in 1280 aan graaf Floris en deels ook aan de bisschop van Utrecht - waarmee voor eeuwen het zaad van de tweedracht tussen Holland en het Sticht werd gezaaid - bleef het eigendom van de grond in 'Nardinclant' wel degelijk in handen van de abdij te Elten.

Dat bleek in 1625 toen de stad Naarden zonder instemming van de abdij 's-Gravelandse grond verkocht aan rijke Amsterdamse kooplieden, die daar hun lusthoven gingen bouwen.

De abdij startte een jarenlang slepende rechtsprocedure, die uiteindelijk door het klooster Elten gewonnen werd. De erfgooiers, oorspronkelijk de poorters en buitenpoorters van Naruthi, mengden zich later steeds nadrukkelijker in de strijd om de grond en de vele gebruiksrechten, die daarmee verband hielden.

De juridische grens lag bij het feit, dat de blote eigendom van de grond in eigendom was en bleef van het klooster Elten. In de Napoleontische tijd kwam op keizerlijk bevel een eind aan de wereldlijke macht van Elten in Nardinclant.

Het aan Sint Vitus gewijde klooster in Elten (bij Zevenaar) kon zich in Nardinclant geen invloed verwerven door de voortdurende strijd van de heren Van Aemstel.

De toenemende macht van de graven van Holland leidde er toe dat Goedela (Godelinde) op 6 mei 1280 Nardinclant verkocht aan graaf Floris V.

Diens streven was er op gericht de macht van de heren van Aemstel te breken en zijn graafschap uit te breiden.

De verkoop betrof de wereldlijke rechten van de abdis en de overeenkomst werd gesloten tegen een jaarlijks te betalen som van 25 ponden Utrechtsche munt.

Dat bedrag moest door graaf Floris V en de erfgenamen van 'der keerlen God' eeuwig worden voldaan aan de abdis van Elten.

(de koptienden-bedragen vloeiden nu in de beurs van 'der keerlen God')

De graven van Holland kwamen hun verplichtingen ook trouw na. Op het plein voor de Pauluskerk in Baarn werd onder de lindebomen het bedrag overhandigd aan de vertegenwoordiger van de abdij.

De grond van het Gooi bleef tot 1811 in eigendom van het klooster uit Elten (Duitse buurgemeente van de Nederlandse gemeente Lobith).


De naam Gooiland verdrong allengs de oudere benaming Naerdinclant of Naardingerland. Gooiland zou - aldus een theorie - afstammen van Gudela, maar zeker is dat niet.


De scholengemeenschap Godelinde en de Godelindeweg zijn - zo staat onomstotelijk vast - naar Goedela vernoemd.


De naam Gooiland stamt het meest waarschijnlijk af van Go of Gouw, dat landstreek betekent.

Bron: uit Internetsite, Historie Naarden, Homepage gemeente Naarden.