Geschiedenis en genealogie van de familie Post.


Voor de genealogie van de familie Post heeft u mijn visie niet nodig. Er zijn er velen die deze stamreeks onderzoeken en zo hun steentje bijdragen. Zoals een van de onderzoekers mij eens zei “We staan allemaal op elkaars schouders”.

Daar moeten we het maar op houden. Maar om mijn visie hier toch te weergeven deze komt uit in onderstaande genealogie van de familie Post – Ubbelschoten.

De meest bekende voorvader/stamvader van de Gooise tak van de familie Post was volgens de goegemeente van onderzoekers: Teunis Jacobs (Post) voor 's mans achternaam werd toen der tijd vaak alleen het patroniem gebruikt. Dus alleen Teunis Jacobs, (Teunis de zoon van Jacob).

Zijn zes kinderen van deze Teunis Jacobs werden gedoopt onder de familienaam Post dus het aller waarschijnlijkst is dat de vader van Teunis Jacobs – (Jacob Teunisz) de familienaam Post ook al voerde, maar in de regel niet gebruikte omdat voor hen het patroniem voldoende was in zo'n kleine gemeenschap waarin zij leefden.

Zijn volle naam Teunis Jacobs (Japik/Jaspixen) Post waarbij Japix of Jaspixen als roepnaam gold.

Teunis Jacobsz was de zoon van Jacob Teuniszoon, en deze Jacob was aller waarschijnlijkst de zoon van Teunis Jansz Post.

Dus was Jacob Teuniszoon Post de vader van de ons bekende Teunis Jacobs Post ook allen kende hun echte familienaam Post.

Zij kwamen het in de eerste instantie uit de omgeving van Soest provincie Utrecht. Joannes Teunissen (Jan) Post (geb. 1699 in Bussum) hij de tweede zoon van Teunis Jacobs, werd om die reden Jan van Soest genoemd (ook in officiële stukken).

Men kan het heel eenvoudig stellen:

  1. eerste ons bekende in de Posten-stamreeks is Aris (Post) 1550 Renswoude. We kennen hem alleen uit het patroniem als de vader van Jan Arisen Post we kennen de naam van zijn echtgenote niet. Dit werd dus Aris Post gehuwd met NNdeNN.

  2. zijn zoon Jan Arisen, (Jan van Arie) (Post) 1580 Renswoude zijn bijnaam was Swarte Jan Arisen. daardoor werden zelfs de kinderen uit zijn tweede huwelijk met Geussentgen Willemse van Nieburg met de familienaam Swart gedoopt, 7 kinderen uit zijn tweede huwelijk droegen de naam Swart.

  3. Zoon 1, uit zijn eerste huwelijk met Jenneke Everts: Teunis Janszoon, 1609 Scherpenzeel (Teunis van Jan) (Post). Van Teunis Janszoon kennen we wel zijn nageslacht, maar ook weer niet de naam van de vrouw met wie Teunis Janszoon gehuwd was. NNdeNN (dit wordt nog uitgezocht) hij werd wel de voorvader van van wat men noemt een grote tak van Posten. Voornamelijk wonende in de provincie Utrecht. // De kinderen uit zijn tweede huwelijk 7 in getal, droegen allen de naam Swart.

  4. De oudste zoon van Teunis: Hendrik Teuniszoon Post, 1639 Renswoude, werd waarschijnlijk geboren in het daghuurdershuisje op Ubbelschoten een boerderij ten zuiden van Renswoude, hij en zijn vrouw Jacobje Lammers, vertrokken in 1671 naar Leusden en gingen de naam “Van Ubbelschoten” voeren, zij lieten ook hun kinderen onder deze naam dopen in de St Joriskerk te Amersfoort. Waarschijnlijk voerde Teunis dus ook de naam Van Ubbelschoten. Op Ubbelschoten werd ook vaak gebezigd. De Van Ubbelschoten, en naderhand door verschrijving Van Huppelschoten, of alleen Ubbelschoten of Huppelschoten (zonder voorzetsel) vormden op deze manier twee stamreeksen ontstaan uit de stamreeks van stamvader van Teunis Jansz. Post

  5. Teunis Janszoon en Jacobje Lammers kregen ook nog twee dochters: Maertge1642 en Henderijcge 1646

  6. Zijn vierde kind Jacob Teuniszoon ± 1649, daarbij is de draad van de stamboom zo'n beetje kwijtgeraakt we weten ook niet wie zijn partner was dus weer een NNdeNN (Dit wordt nog uitgezocht). Het is moeilijk zoeken in verloren gegane buurtschappen, rechtsgemeenschappen of kerkdorpen, zoals dat van Oud Leusden, Isselt en Lage Birk in de omgeving van Amersfoort.

  7. De zoon van Jacob: Teunis Jacobsz (Japik/Jaspixen) (Post) 1675-1708 gehuwd in 1694 met Beijtie Jans Jonge en is de stamvader van de grote tak van Posten waar ik toe behoor. Japik of Jaspixen in dit geval geldende als roepnaam. Als je de naamsvernoeming van hun kinderen ziet kom je vanzelf tot de conclusie dat deze zienswijze de juiste moet zijn.

Vanaf item 6 is het mijn visie die ik nog niet met bewijzen of bronnen kan waarmaken, doch als men hun afkomst uit het Stichtse en de vernoeming van namen kinderen van Teunis Jacobs ziet, moet dit toch wel de juiste zienswijze zijn.

Kinderen van Teunis (Japik/Jaspixen) en Beijtje:

  1. Jacob Teunissen Post, geboren omstreeks 1695 in Bussum.

  2. Clasie Teunis (Klaasje) Post, geboren omstreeks 1697 in Bussum.

  3. Joannes Teunissen (Jan) Post, geboren omstreeks 1699 in Bussum.

  4. Gijsbert Teunissen Post, geboren omstreeks 1701 in Bussum.

  5. Rutger Teunissen (Ruth) Post, geboren omstreeks 1704 in Bussum.

  6. Antonius Tenissen (Teunis) Post, geboren omstreeks 1706 in Bussum.

De Posten kwamen via Renswoude en daarna uit de omgeving van Soest naar Bussum waar onze Teunis Jacobs ging wonen, na in Naarden gehuwd te zijn met Beijtje Jans. (uit welke plaats Beijtje kwam? mogelijk ook uit De lage Bussum maar het kan ook Hoog Bussum zijn, of Naarden) Men trouwde in Naarden omdat men in die tijd onder het gerecht van de Stad Naarden viel.

In een later Genealogie-contact met Marianne Aartsen zij wist haast met zekerheid te vermelden, dat Beijtje en haar zuster Elijsabeth de achternaam Jonge droegen.Zij kwamen uit “Oud Bussem” dat in die tijd onder het rechtsgebeid van Huizen resorteerde.

Nog één woord hierover de herkomst van Beijtje Jans. In 2012 ik kreeg in een mail die haar antecedent voor haar doopceel, aangaf doordat haar broer maar waarschijnlijker nog haar vader (Jan Jansz Jonge) samen met (Dirk Cornelisz) in scheidingszaak door overlijden van de 2e echtgenoot van Beijtje de voogdijschap kregen over de kinderen van Beijtje Jans en Teunis Jacobs:

Beijtje moet na 1707 hertrouwd zijn met Jan Teunisz de scheiding van dit huwelijk vond weer plaats vóór 12-05-1713 want toen werden tot voogden der kinderen van Teunis Jacobs en Beijtje Jans benoemd: Dirk Cornelisz en Jan Jansz Jonge.

voogden der kinderen ter zake, nagelaten van andere (stiefvaders) zijde land.

Eigenlijk in de betekenis dat Jan Jansz Jonge de vader of de broer was van Beijtje Jans.

Dus was de familienaam van Beijtje: Beijtje Jans Jonge

getrouwd:

(1) met Teunis Jacobsz Post.

(2) met Jan Teuniszoon (ook hier weer allen het patroniem)

en van haar zuster Elijsabeth Jans Jonge

getrouwd met Gerrit Hendriks Meijerden.

De Posten kwamen uit het Utrechtse, uit de omgeving van Soest. Lage Birk of Isselt, Daarvoor waarschijnlijk uit de omgeving van Renswoude.

De zoektocht van latere Posten naar hun vermeend erfgooierschap komt door bovengenoemde wetenschap geheel tot de onwerkelijkheid.

Als je de definitie volgt, wat is nu een erfgooier?, uit het boek "Erfgooier ten eeuwigen dage" van Anton Kos en Karin Abrahamse.

Wie, en wat is een erfgooier?

"Een erfgooier is een meerderjarige man wonende in Gooiland die in mannelijke lijn afstamt van een erfgooier".

Daar kunnen de Posten geen bewijs voor leveren.

Dan weet je uit het bovenstaande ook direct dat de Posten geen erfgooiers kunnen zijn.

Joannes Teunissen Post 2e zoon van Teunis Jacobs 1e tapper/herbergier in “De Oragneboom” te Bussum circa 1750,, welke naam rond 1800 werd veranderd (de franse tijd) in “De Rozenboom” hij had om reden dat zijn familie afkomstig was uit Soest, zelfs de naam of bijnaam Jan van Soest. In officiële stukken werden hij en zijn vrouw Marretje, Jan en Marretje van Soest genoemd.

Erfgooiers waren in een marke verbonden lange tijd voordat de Posten in het Gooi kwamen wonen, waarbij het erfgooierschap in deze marke-verbondenheid alleen werd doorgegeven in mannelijke lijn.

Daar mijn interesse voor de genealogie van de familie Post, al lang geleden gewekt was.
Had ik toendertijd, (eind 1900) voor mijn gegevens op te slaan een vrij onbekend genealogie-programma.

Bij het in gebruik nemen van een nieuwe computer met het besturingsprogramma Windos Xp, kon dat programma daar niet op draaien en gingen veel verzamelde gegevens verloren.

Op Internet kon ik het genealogieprogramma Aldfear downloaden en nu wil ik al mijn gegevens daarin onderbrengen.

Met de vele verwijzingen naar archieven, testamenten en akten en fotomateriaal, wil ik het verhaal in een nieuw document gestalte geven. Daar start ik nu mee.

Bussum, dinsdag 17 februari 2004. Henk Post
==========================================

INVOEGING 2009

Beknopt stukje van de geschiedenis van het Gooi uit: (-Het land van Gooi en Eem- van de auteur A. L. Boer).

Hoe HET GOOI ontstaan is

Hoe is de aarde onstaan ? -Europa, Nederland, het Gooi- Daar ligt een mysterie in dat geen sterveling op kan lossen, dat voor de gelovige is aangeduidt met de prachtige woorden, waarmede de Bijbel in de Statenvertaling begint: -In den beginne schiep God den hemel en den aarde-.

De Amerikaanse schrijver, Jac London, gaf aan een van zijn boeken de titel: “Gods own country”, ”Gods eigen land”. Dat is het Gooi op zekere hoogte ook gebleven: een stuk ongerepte natuur, door mensen onaangetast, zo daar neerliggend onder de hemelen als het eenmaal in verre tijden ontstond. (het is nu zo'n 30 jaar later, dan dat de schrijver dit schreef, er is in de jaren hierna veel veranderd en is er héél veel van dat oude verloren gegaan)

Zo ongerept is Het Gooi niet meer, Grote verkeerswegen zijn dwars door natuurgebied aangelegd. Wat nog natuurgebied is deed een grote stap terug door vervuiling. De heidevelden zijn er nog mondjesmaat, zij lijken op steppenvelden overwoekerd met buntgras.

"Verre tijden". De geoloog speurt naarstig naar merktekenen van van vervlogen eeuwen.

De hoofdstad van het Gooi, Hilversum, bezat in de heer P. van der Lijn, een van de beste kenners in ons land van dat land en grijs verleden. Schrijver dezes de hr. Boer is met de deze hr. Van der Lijn op stap geweest om te zien en te horen van de geologie van het Gooi, en maakt van onderstaande inlichtingen dankbaar gebruik.

Honderdduizenden jaren geleden is ons land, als een Venus uit het schuim der golven, uit het water geboren. De grote rivieren voerden materiaal: zand, leem en grind naar de ondiepe Noordzeebaai die daar lag waar later de lage landen zouden ontstaan. Toen kwam de tijd van het zgn. diluvium of pleistoceen, een tijd van grote temperatuur- schommelingen met vaak perioden van grote koude. In zulk een lange en strenge koudeperiode kwamen de gletschers uit Scandinavie en Finland tot aan het tegenwoordige Gooi toe. Dit is de periode van wat de geologie Rissglaciaal noemt.

Deze ijstijden zijn door de stuwingen die daardoor ontstonden ook heel bepalend geweest voor de landschapsvorming van onze omgeving.

Wie de grote zandgroeve bezoekt die, nogal verscholen even rechts van de weg Hilversum-Laren ligt, ziet hier iets van wat het grootse en geweldige spel der natuur tot stand bracht. Rijn en Maas zetten hier een enorme zandbank af. Zo werd in 1934 op de vloeivelden bij Anna's Hoeve te Hilversum een boring verricht tot een diepte van 160 mtr onder het maaiveld. Behalve drie kleilagen van 100, 70 en 12cm dik en een humusrijke zandlaag was alles zand en grind wat werd opgeboord. Per jaar zal ongeveer 1 mm zand door een rivier worden afgezet. Dit betekent dat elke meter 1000 mm vertegenwoordigt dus 1000 jaar zandafzetting.

De oudste toen opgeboorde zandlaag moet derhalve van minstens 160.000 jaar geleden dateren. Dan het gebied van deze zandafzetting, reken daar gerust ook nog bij de Utrechtse heuvelrug overgaand in de Veluwe en dit weer overgaand in de Drentse zandgronden. Men kan bewijzen dat dit op deze wijze tot stand is gekomen, omdat de afzettingen overeenstemmen met het materiaal uit de rotsen in Belgie, Duitsland en Noord-Frankrijk. Tot zover de opbouw van het gebied in beknopte vorm.

Terug naar de geschiedenis van "het Gooi" van de stad Naarden, en van stedelijke ontwikkeling in ons land.

Het allereerste wat er in de geschiedenis van de stad Naarden bekend zou zijn is dat het klooster Werden in Duitsland, al een leenpacht op Naardinckland had. Naarden had toen nog de latijnse naam Nathuri; hier een kopie uit een internet-site over de: Abdij van Werden, de monikken die de Franken en de Saxen evangeliseerde.

De oudste geschreven kerkbron noemt Nathuri (Naarden). Het is een beschrijving van de bezittingen van de abdij in Werden (Ruhr-gebied) uit 900 na Chr. De kerk en het kerkeland maakten deel uit van die abdij.

Een stenen kerk in een houten dorp dat ten noordoosten van het landgoed Oud-Naarden lag. Dat is een plek van het Oude Nathuri (Naarden) die nu onder de waterspiegel van het Gooimeer ligt.


In 1977 werd tijdens de restauratie van de Grote of St. Vituskerk in Naarden-Vesting bij graafwerkzaamheden in de kerk een altaarsteen opgegraven. Het verhaal gaat dat deze steen op de foto afkomstig is van de Naruthikerk uit de 8e eeuw. (zie site gemeente Naarden)


In die tijd moet het (de Zuiderzee in die tijd) Gooimeer nog droog zijn geweest maar later bij voortdurende overstromingen kalft steeds meer veen af.

Het oude Naarden verdwijnt in de golven.

In 968 wordt het Gooi ? dat dan toen nog Naerdinclant heet ? voor het eerst in de geschiedenis genoemd. Tevoren in het begin van de achtste eeuw, zal Willebrord hier het Christendom hebben gebracht, op het St. Janskerkhof een begin makend met zijn evangelieprediking.
===============================================

INVOEGING betreffende Wichman IV uit Wikipedia

Door deze invoeging uit Wikipedi komt naar voren hoe verworteld en verbonden de Gooise geschiedenis is aan de streek Nord-Rhein Westfalen in Duitsland.

Het graafschap Geldre (en Hameland) strekte zich toendertijd uit tot ver over de nu bestaande Duitse grens.

Dan nog te bedenken dat alle lichtblauw weergegeven woorden hyperlinks waren waarbij men doorklikte naar genoemde objecten of personen.

Wichman IV (ca. 920 – Mönchengladbach 20 juli na 974) was graaf van Hamaland en de Veluwe, en ook van het Gooi (Naardingerland/Naardinckland).

Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 29 september 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij graaf van Gent en de gebieden ten noorden daarvan, tot aan de Schelde, als vazal van Arnulf. Samen met Arnulf stichtte hij de Sint-Baafsabdij van Gent opnieuw, die door de Vikingen was verwoest. Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en werd in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint Omars en Maagdenburg bij Deventer bezaten.

In 966 overleed zijn enige zoon. Wichman was toen al weduwnaar en het wegvallen van zijn opvolger moet een grote slag voor hem zijn geweest.

Hij droeg zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk van Holland II en hij stichtte het Sticht Elten. Zijn jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee-derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Zijn oudste dochter Adela die alleen een derde deel van de persoonlijke bezittingen zou krijgen, weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, uiteindelijk kreeg ze de helft van de persoonlijke bezittingen en van de grafelijke rechten van haar vader toegewezen.

Wichman werd in 974 lekenbroeder in het klooster te Mönchengladbach. Hij overleed daar op 20 juli van een jaar (kort?) ná 974. Wichman is begraven te Hoog-Elten.

Zijn stoffelijk overschot is niet teruggevonden bij de opgravingen van 1964-1965. Het is waarschijnlijk bijgezet in een afzonderlijke kapel waarin ook het Gangulf-altaar stond en die zich iets ten zuid-oosten van de familiebegraafplaats moet hebben bevonden.

Bij de opgravingen in Hoog-Elten is het graf van zijn vrouw Liutgard wel gevonden. Aan haar skelet ontbrak één hand met het polsgewricht, terwijl haar gebeente daar tekenen van botvliesontsteking vertoonde. Zij is dus overleden aan de gevolgen van een ernstig ongeval of een geweldsincident.

=============================================

Het bovenbeschrevene heeft heel veel in de Gooise geschiedenis bepaald en zelfs ook voor de erfgooier.

Zij waren dan wel geen horigen in de ware zin van het woord. Maar waren wel met (Koptienden) betalingen voor eeuwen verplicht verbonden aan het Sticht te Elten.

Misschien ook nog wel mede door Floris V (1254-1296), die het naar het zeggen wel heel goed bevolking voor had, maar toch een leenheer was voor het Sticht.

=====================================================

In 968 dan woonde in het gebied van Zutphen, Graaf Wichman, tot wiens bestuursgebied het Gooi behoorde. Een van zijn dochters Luitgarde (de Luitgardewegen in Hilversum . Bussum, en Naarden eren haar nagedachtenis) werd abdis van het door Graaf Wichman (Graaf o.m. van Hameland) gestichtte klooster in het Gelderse Elten (Gelre), later Duits geworden.

(in 1949 kwam Elten bij Nederland geannexeerd gebied als een goedmakertje voor de Duitse bezetting maar in 1963 werd het weer toegevoegd aan het Duits gebied).

Aan het klooster Elten, schonk Graaf Wichman in het bovengenoende jaar 968 met toestemming van Keizer Otto I o.a. heel Naerdinclant, het ganse Gooi. Drie eeuwen lang bleef het Gooi in het bezit van deze abdij, die aan St Vitus was gewijd, vandaar de naam Vituskerk voor verschillende Gooise kerkgebouwen.

In de dertiende eeuw kreeg Gysbrecht II van Aemstel van de abdis van Elten enige rechten in Naerdinclant.

Ook van de bisschop van Utrecht ontving hij leengebieden: Muiden, Diemen, Weesp. Zijn machtsuitbreiding leidde tot conflicten met Utrecht en het graafschap Holland, en dit leidde weer o.a. tot een slag bij Soest in 1260 en tot de ondergang der Heren van Aemstel in 1280.

Dan wordt Floris V de man. Deze beroemde Graaf van Holland krijgt het Gooi toegewezen, al blijft de abdis van Elten haar kerkelijke rechten houden in dit ook later tot het einde der negentiende eeuw in het overwegend Roomskatholiek gebleven Gooiland.

Notities bij Floris V [graaf]van Holland
Floris V is in verschillende opzichten een belangrijke graaf. Hij zet zijn stempel op de geschiedenis van Holland. Boeren krijgen moerassen die zij ontwateren en omtoveren in vruchtbaar land.

Ze graven sloten en bouwen dijken. Ook steeds meerverdedigingswerken komen er. De bevolking groeit en de economie bloeit. Dankbare boeren noemen Floris der Keerlen Gods.

Floris V is geboren in Leiden in juli 1254. Op (tweejarige) leeftijd wordt hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader, de Rooms-koning Willem ll, is een half jaar daarvoor vermoord.

Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, wordt de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard.
Floris V is intelligent en charismatisch. Hij bedwingt acht jaar later, op twintigjarige leeftijd in 1274, een grote opstand van de Kennemerlanders (het gebied rond Haarlem en Alkmaar) en de Waterlanders (ten noorden van Amsterdam).

Hij verjaagt Avesnes uit Holland in de herfst van 1277 en met grote leningen houdt hij de bisschoppen van Utrecht in zijn macht. Hij ontvangt het Nedersticht in pand in 1279 en maakt belangrijke gebieden als Woerden, Amstelland en het Gooi tot lenen van Holland.

Zijn schuld aan de hertog van Brabant voor het Brabantse deel van Zuid-Holland is in 1283 helemaal afgelost. Floris krijgt het land in ruil voor steun in het streven van de hertog naar meer macht in Limburg. Floris heeft zijn handen vol aan de Westfriezen. Pas in 1289 verslaat hij ze definitief. Floris beheerst nu het gehele huidige Noord-Holland inclusief Texel.

Floris V raakt ook steeds met zijn schoonvader, de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, slaags. Ze vechten een felle strijd om Zeeland. Floris verslaat zijn schoonvader uiteindelijk bij Baarland in 1295.

Hij laat zich nadrukkelijk -graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland- noemen vanaf 17 maart 1291.
Zijn politiek is op Engeland gericht. Zijn aanspraken op de in 1290 vacant geworden Schotse koningstroon laat hij afkopen. Maar in 1296 gooit hij het roer om en verbindt zich met Frankrijk.

Ontevreden edelen smeden een complot en hij wordt gevangen genomen. Hulp van Hollandse boeren komt te laat. Floris V wordt vermoord bij Muiderberg op 27 juli 1296. Aanvankelijk is hij begraven in Alkmaar in de Grote Kerk, later wordt hij herbegraven in Rijnsburg.

In die tijd onstaat de naam Gooi, waarschijnlijk afgeleid van go of gouw, van oudsher was dit een term waarmede een landstreek werd aangeduid. Ons land was vroeger verdeeld in "gouwen" of gewesten, die een "gouwgraaf" aan het hoofd van het streek-bestuur hadden.

In 1296 werd Floris V in de bossen van de Egelshoek bezuiden Hilversum gevangen genomen door de saamgezworen edelen tijdens een van die typisch middeleeuwse valkenjachten van die dagen.

Naar het slot Muiden werd hij overgebracht met de bedoeling hem naar Engeland te voeren. De Gooilanders omsingelden het slot, waar hun graaf, -der Keerlen God-, (want de spotnaam der edelen was in die tijd GRAAF VAN DE BOEREN) gevangen zat.

Weggevoerd door zijn vijanden in de richting van Naarden werd hij nabij Muiderberg vermoord.
(Wat ik in mijn jeugd altijd hoorde is hij vermoord bij de Karnemelksloot bij Naarden H.P.)

Hier past dan ook nog goed bij, een stukje Naardense Geschiedenis uit het boekje

-Stad in de Wallen- door; Jan Poortenaar.

TWISTEN EN STRIJD

Nu was er in die tijden aan twisten en strjd geen gebrek. Overschreed iemand de grezen van zijn dorps- of stadgebied, zo schrijft Hortentius een kleine honderd jaar later, en kapte er hout of stak er turf, dan was de boete 1 schaap, maar over die schapen, begrenzingen en overtredingen was men het zelden een, en dat gaf tot nieuw geharrewar aanleiding. Zo ging het in het klein tussen boeren en dorpen, maar ook in het groot tussen de graven van Holland, de hertogen van Gelre, en de bisschoppen van Utrecht.

Men greep dan spoedig naar de wapens, -ook omdat het destijds het gebruik was, na een overwinning eens flink te plunderen- en men dus kans had op een goede buit. Helaas was het Naarden beschoren om een twistappel te worden, het brandpunt van een felle strijd, die zich ontwikkelde tussen de graaf van Holland enerzijds, en de gra-ven Gelder met steun van de bisschop van Utrecht aan de andere kant.

NAARDEN

Er waren veelvuldig schermutselingen, maar ook ernstige botsingen. In 1420 werd een aanval op Naarden afgeslagen; de vijanden konden het niet verder brengen dan Hilversum, toen nog een klein dorpje, dat geplunderd werd.

In 1454 behaalde de mannen van het Gooi, die werden afgeschilderd als dapper en bekwaam in oorlogsvoering, een -treffelijcke Victorie- in een -Veltslach- tegen de Amerfoorters; dit alles was echter maar kinderspel bij wat volgen zou.

In december 1481 waren een vrij groot aantal burgers uit de stad naar Deventer gegaan, teneinde inkopen te doen voor de lakenweverij, waarvoor Naarden bekend was. Reeds eerder had men de stad vergeleken bij een weverswinckel, soo eer sijn de inwoners ghewoon de spoel door het web te laten loopen?.

Nu moet de vijand er achter gekomen zijn, dat veel weerbare mannen afwezig waren. In het holst van de nacht naderde hij de stad, en hij kon zich prachtig verdekt opstellen onder de bomen en struiken, die de Naardenezen zelf zo zorgzaam rondom hun stad geplant hadden. Ze boden nu de vijand een prachtige schuilplaats (al zit er in de maand december niet al te-veel blad meer aan loofhout H.P.) om zich verdekt op te stellen. (foutje! H.P.)

Vervolgens werden enkele krijgslieden, die zich verkleed hadden als vrouwen, die ter markt wilde gaan, vooruit gezonden. Zij vroegen aan de poort toegang tot de stad. Toen de Poortwachters zonder kwaad te vermoeden, de poort opende, werden zij door de -vrouwen- overhoop gestoken en kwamen meteen wel zehonderd man krijgsvolk uit de sruiken en stormden de stad binnen, geleid door een aanvoerder, die als -Perrol met de rode hand- bekend en berucht was.

Hij moet het geweest zijn, die Jan van Schaffelaar te Barneveld in het nauw bracht en van de toren deed springen. "tenzij er fantasie in het spel is bij het verhaal van die sprong, dat tegenwoordig nog wel eens in twijfel getrokken wordt". (-De schaapherder- roman van F.J. Oltmans (1806-1854) een roman uit de Utrechtse oorlogen).

Maar hoe dan ook: die Perrol was niet iemand om mee te gekscheren. Hij en zijn mannen sloegen neer wie niet ontvluchten kon, plunderden de stad en staken ook de kerk in brand. De zusters van het klooster hadden inmiddels kans gezien velen door het Vestpoortje buiten de stad in veiligheid te brengen, en de miskelk te redden door die te begraven.

Heel Holland kwam in rep en roer over die schanddaden. Men bracht ijlings troepen bijeen en zo rukte een legermacht onder bevel van Joost van Lalaing, aan, waarbij een ridder uit Biscaye, Petit Salasar met zijn huurlingen, om Naarden te ontzetten. De Biscayers waren goed bewapend met ijzeren hand- en voetbogen, en zo dreven de troepen van Lalaing, de vijand spoedig op de vijand spoedig op de vlucht, die inderhaast het meeste, dat hij geroofd had, in de steek moest laten.

Lalaing zette de benden van Perrol na tot in Eemnes, Baarn en Soest, en stak deze dorpen in brand. Dit gebeurde op 21 december; en kerstavond daarna joeg en nog steeds op de vluchtende vijand tot onder de muren van Utrecht, om met buit beladen naar Naarden terug te keren. Ter ere van deze glorierijke veldtocht werd te Amsterdam en te Naarden een verdedigingstoren gebouwd, die men "Swijght Utrecht" = Zwijg-Utrecht = noemde, en die bij een mogelijke herhaling van de aanval goede diensten zou kunnen bewijzen. De Amsterdamse is nog in de zeventiende eeuw door Rembrandt getekend; die van Naarden stond op de plaats waar nu het bastion "Oranje" gelegen is en werd in 1681 afgebroken; dat men het machtige Utrecht het zwijgen had kunnen opleggen, vervulde de harten der Hollanders en Gooiers tot rechtmatige krijgmanstrots zo een wapenfeit moest terdege vereeuwigd worden.

Opnieuw werden de muren van Naarden onderhanden genomen; zij waren met de tegenaanval op veel plaatsen vernield en hele brokstukken waren in de vestinggracht gevallen. Opnieuw moest de omgeving meehelpenen de bewoners van de vier dorpen Huizen, Blaricum, Laren en Hilversum kregen bevel aan de herbouw van wallen en muren mee te werken. Deze dorpen dankte ook veel van hun welvaart aan de hoofdstad; de Hilversummers ten minste beweerden, dat zij wel konden gaan bedelen als er geen Naarden met zijn lakenweverijen bestond.

Bij vijandelijke strooptochten hadden de dorpen ook wel te lijden, maar de "steden", al waren zij moeilijker in te nemen, beloofden de op roof beluste benden groter buit. De "stad" moest de spits afbijten voor de ommelanden en het was dan ook niet meer dan billijk, dat de dorpjes daarom heen hielpen om de stad zo onneembaar mogelijk te maken.

Tot zover: Jan de Poortenaar


Het Gooi, lange tijd grensgebied tussen Holland en Het Sticht, bleef lange tijd gevechts- terrein. Toch sterkte het de streek in saamhorigheid.

De Erfgooiers (zie de regelementen hieromtrent, de overdracht van erfrecht van vader op zoon en het verbonden blijven door te blijven wonen in het erfgooiers-gebied).

De Erfgooiers kregen hun eerste Schaarbrief van Hertog Albrecht van Beieren in 1404.

Wanneer er in door geschiedschrijvers, geschreven wordt over het Gooi in de zestiende eeuw dat toen de economische situatie minder florissant werd en dat dit voor een deel kwam door naweeën van de ramp van 1481. (ik denk dat het meer een kwestie is dat Naarden koos voor de hervorming).

Door deze keuze volgde er een straf-expeditie door de Spaanse bezetters (1572).

De stad Naarden was niet te houden in 1572. Ondanks plechtige beloften van lijfs-behoud en verschoning van plundering, richtten de Spaanse bezetters op 1 december 1572 in Naarden een vreselijk bloedbad aan.

Moordend, plunderend en brandstichtend trokken de bezetters door het stadje, waar weinig van overbleef. Zestig inwoners wisten te ontkomen. De stadswallen werden geslecht.

Nu even terug naar 1481 en de gevolgen daarvan

De Plunderingen en moordpartijen te Naarden en de dorpen hadden tot onzaggelijke schade geleid en tot bijna een halvering van de bevolking! Pas ruim dertig jaar later was het aantal Gooiers weer even groot als voor de ramp.

In totaal telde de de streek toen ongeveer vijfduizend inwoners, van wie er bijna drieduizend in Naarden (inclusief Bussum) leefden.

(Uit: -ACH LIEVE TIJD- blad over geschiedenis van het Gooi)

De lakenweverij kon zich niet meer volledig herstellen. De top van de vijf-tiende-eeuwse productie- 20.000 stuks laken per jaar. Werd bij lange na niet meer gehaald.

Behalve aan de catastrofe van 1481 lag dat ook aan de toenemendde con-currentie van andere steden en aan de mindere kwaliteit wol die de Naarders gebruikten. Ook het regelmatig geknoei met leveranties deed de reputatie van het Naardense laken in de vreemde weinig goed. dit alles zo ongeveer 1520

Maar als we nu een vijtig jaar later 1572 de Naardense bevolking in ogenschouw mogen nemen uit wat er verhaald wordt in de -Slachting te Naarden-, en we tellen het bevolkingsaantal (460 personen) waarvan er 400 door de Spanjaarden werden vermoord en slechts 60 de moordpartij ontkwamen.
En als men wil geloven dat er 400 personen werden samengedreven in Het Spaanse Huis te Naarden dan moet men nu nog maar eens dat herbouwde optrekje gaan bezichtigen. En werd na de slachting de vesting geslecht en de grachten gedempt, de bewoners van de buurdorpen werden hiervoor ingeschakeld. Als men de geschreven geschiedenis zou moeten geloven.

Er zijn veel zg. geschreven geschiedenisfeiten die elkaar tegenspreken.

Dus als men bovenstaande stukken geschiedenis met elkaar vergelijkt ging Naarden in een halve eeuw terug van ruim tweeduizend naar een krappe vijfhonderd inwoners. En, dan, de herrijsenis als uit het niets.
(door de terugkomst naar de verwoeste stad van 60 bewoners?).

Het lijkt meer op een verhaal om de barbaarsheid van de (Spaanse) katholieken te schilderen en daar tegenover de berustende, zich zelf verdedigende devote op Gods hand rekenende protestanten.

Zelfs Lambertus Hortentius die zelf de slachting beschreef, speelt hierin een twijfelachtige rol. Een man die zijn boeken in veiligheid mag brengen onder het mom het is een priester. Zag bij zijn oudste zoon het hart uit zijn lijf snijden, maar zwijgt en ziet lijdzaam toe, omdat een priester vanwege zij celibatair leven geen zoons kan hebben.

Zijn tweede zoon die ook priester was, werd vier jaar na de slachting benoemd tot vervangend prediker in de Grote Kerk voor Hervomd Naarder. (Waren het afvallige katholieken?)

Het verslag van de slachting in Naarden ging zelfs zover dat de overgebleven huizen werden platgebrand en verdedigings-grachten en wallen werden gedempt en geslecht de bewoners van de buurdorpen moesten daarmee helpen.

(de Grote kerk: begin van de bouw in het jaar 1387 voltooid in het jaar 1440, daarna in het jaar 1468 en in het jaar 1481 door brand verwoest en weer hersteld bleef in het jaar 1572 gespaard). (hij staat er nog steeds).
Die in het jaar 1518 voltooid was doorstond alle gruwelijkheden in 1572, de zoon van Lambertus Hortensius, Hieronymus Hortensius werd net als zijn vader priester, maar werd in het jaar 1576, 4 jaar na de slachting, als tweede predikant aangesteld van hervormd Naarden.

In 1585 belegerde het Spaanse leger zonder succes de inmiddels herbouwde vesting Het is maar welke geschiedschrijving juist is, en wat men er van wilt geloven.

Maar de stad herstelde zich spoedig, met de wonderlijke vitaliteit van die jaren. In 1602, dertig jaar na de Spaanse furie, werd het stadhuis gebouwd, dat nog steeds het sieraad van Naarden is.

Maar opnieuw naderde het oorlogsgeweld; in 1672 moest het zwakke garnizoen zich aan de Fransen overgeven, die de stad 14 maanden bezet hielden, waarna stadhouder Prins Willem III haar heroverde na een beleg van zeven dagen.

Dat Menno van Coehoorn de ontwerper van de vestingwerken was is een wijdverbreid misverstand. (deze gaf eerder afbrekende krietiek op het werk van Van Witsen en Dortman).

In 1574 werd de opbouw van de vestingwerken weer ter hand genomen naar een ontwerp van Adriaan Anthonisz een sterktebouwmeester der Verenigde Nederlanden.

Na 1674 leverden de heren Nicolaas van Witsen en Adriaan Dortsman een grote bijdrage aan de afwerking van de vesting tot de huidige vorm.

De stichting "Menno van Coehoorn" welke ijvert voor voor het behoud van de oude vestings- en verdedigingswerken heeft veel gedaan voor de renovatie en restautatie van de "vesting Naarden" die nu in uitstekende staat verkeerd.

In 1787 werd Naarden door de Pruisen bezet en twee jaar nadien door de Fransen in bezit genomen en vijfentwintig jaar lang bezet gehouden. Op twaalf mei 1814, toen Napoleon oficieel van zijn gezag afstand deed kwam de stad weer vrij.

DE ERFGOOIERS

Wie zijn die erfgooiers? In 1404 komt die naam al voor de dag. Praktisch gesproken zijn het dan de leden van de gehele inheemse streekbevolking van die tijd. De eerste schaarbrief, schaaren is vee-weiden, komt dan tot stand en wordt door de hertog Albrecht van Beieren in dat Jaar bevestigd.

In de aanhef van dit stuk, dat de Posten erfgooiers zouden zijn kom ik bij deze op deze stelling terug, nadat ik de definitie van het erfgooiersschap las in het boek "Erfgooiers ten eeuwigen dagen" geschreven en uitgegeven door Anton Kos en Karin Abrahamse ter gelegenheid van het 75 jarig bestaan van het Goois Natuurreservaat.

Die definitie Luidt:
De meeest gangbare definitie van een erfgooier is: een meerderjarige man, woonachtig in Gooiland, die in mannelijke lijn afstamt van een erfgooier. Erfgooiers waren al sinds de middeleeuwen verenigd in een marke-organisatie.

Zij hadden gebruiksrechten op de zogenoemd gemene gronden, zoals weiden heidevelden en bossen, in het Gooi, noodzakelijk voor de explotatie van een gemengd boerenbedrijf. We hebben het dus over boeren.

Die boeren en hun nazaten beschermden eeuwenlang hun gebruiksrechten. Soms met veel en soms met minder succes. Telkens ging het om het bestaansrecht van hun organisatie of hun rechten, afgezet tegen de belangen van derden of erfgooiers onderling. (tot zover het boek "Erfgooiers ten eeuwigen dage").

Teunis Jacobse Post kwam in 1694 vanuit het Stichtse naar Bussum en had zodoende geen recht op dit erfgooiersschap.

Hoewel dit van meer erfgooiersfamilies gezegd kan worden welke hun wortels ook elders hadden, maar zich misschien eerder in het Gooi vestigden en zich waarschijnlijk inkochten in de marke-organisatie.

Ook anderen hielden begerige ogen op deze gronden geslagen. Zo wordt er in 1474 voor de Grote Raad van Mechelen een proces gevoerd over de rechten der Gooiers. De Gooiers voerden toen aan dat zij -van alle oude herkomen toe en zo lange tijd dat geen memorie ter contrarie was, sinds de tijd dat het land van Gooiland met volk bezet en bewoond is geweest, hebben genoten en rustelijk en vredelijk gebruikt, de Gemeenten van Gooiland en de daarin gelegen beemden, weiden, venen, moerassen, bossen heiden en waranden-. De Erfgooiers wonnen dit Mechelse proces en werden in hun gebruiksrechten met ere bevestigd.

In 1645 rees er -slechts een greep uit de historie- weer een moeilijkheid, zeg maar conflict. Een aantal heren uit Amsterdam wilden de toenmaals moerassige, venige grond van 's-Graveland, waar de Erfgooiers ook hun gebruiksrechten hadden, ontginnen. De Erfgooiers verzetten zich, maar de toestemming werd verleend en de grondslagen van het tegenwoordige dorp des-Graveland met zijn prachtige landgoederen werden gelegd.

Alleen deze eis kregen de Erfgooiers vervuld, dat aanstaande bewoners van het dorp des-Graveland van rechten der Erfgooiers werden uitgesloten. Vandaar dat de naam van het dorp in het bovenstaande lijstje ontbreekt.

De Erfgooiers, die tot dusverre allen maar gebruiksrechten hadden, de Staten van Holland, opvolgers der Hollandse graven, waren eigenaars van de gronden, kregen door Koninklijke Besluiten van 1836 en 1843 een deel der gronden, de weiden vooral in eigendom. Een ander deel, ontheven van het gebruiksrecht der Erfgooiers, bleef Lands Domein. Koning Willem de Eerste, die graag organiseerde, bevorderde deze regeling.

Het besluit van 1836 noemde de Erfgooiers uitdrukkelijk eigenaars van het hun toegewezen gedeelte, het tweede besluit laat dit in het midden: De Gooise gemeenten lieten ook aanspraken gelden. Dit leidde tot nieuwe moeilijkheden, vooral toen in de zeventiger jaren van de 19e eeuwde invasie der vele vreemdelingen in de Gooise dorpen kwam. Vroeger waren burgemeesters, wethouders, raadsleden vrijwel altijd Erf-gooiers, nu verdween het oorpronkelijke Gooise Erfgooiers-regelement allengs meer uit de gemeentebesturen en als de grote vergaderingen van "Stad en Lande" in de Grote Kerk te Naarden, later in het Hilversumse Sportpark, gehouden werden, liepen meningen en belangen van gemeentebesturen en Erfgooiers vaak niet Parallel.

In 1890 kregen de burgemeesters, waaronder nog maar 1 Erfgooier was, het uit-sluitend stemrecht. Het is begrijpelijk, ja vanzelfsprekend dat dit de Gooise boer niet zinde! Floris Vos, het latere Tweede Kamerlid, werd een der leiders van het verzet.
Fel, zeer fel werd de strijd, die hier in allerminst in details beschreven kan worden, een strijd die tot oprichting van een politieke partij leidde en die in 1903 zelfs een mensenleven kostte.

De regering onder leiding van mr Th. Heemskerk, besloot tenslotte in te grijpen en de Erfgooierswet, waarvan hierboven gesproken is kwam tot stand.

In 1912, toen de regering, om aan reeksen van moeilijkheden een einde te maken een -Erfgooierswet- uitvaardigde, werd de vereniging die deze naam draagt gesticht. In deze -Erfgooierswet- wordt verklaard dat de de vereniging "Stad en Lande van Gooiland" in eigendom heeft de gronden, thans als de gemene heiden en weiden van Gooiland bekend. Alle meerderjarige Efgooiers werden er lid van, voorzover ze dat de wet in werking trad in Naarden, Bussum, Hilversum, Laren, Blaricum en Huizen gevestigd waren.

De vereniging "Stad en Lande van Gooiland" die tot doel heeft - bevordering van de welvaart harer leden en van het Gooi in het algemeen, bepaaldelijk met het oog op het veehouders- en lanbouwbedrijf, kreeg een bestuur van vijftien leden, waarvan iedere Gooise gemeente er 1 benoemt. De scharende (veehoudende) Erfgooiers kiezen er in elk der zes gemeenten een, de niet scharende, dus geen veehoudende, leden verkiezen twee bestuursleden, terwijl de voorzitter, als vijftiende lid door de Koningin wordt aangewezen.

Het nieuwe bestuur greep krachtig in in vaak zeer verwaarloosde toestanden. Met steun van de Nedelandse Heidemaatschappij werd de Hilversumse meent bewesten van Bussum en de Oostermeent aan de IJsselmeeroever onder Huizen en Blaricum radicaal verbeterd, zodat de opbrengst aanzienlijk steeg.
Men werd het ook nu niet dadelijk over alles eens maar allengs daalde meer pais en vree over de Gooise heiden en weiden.

De regering oordeelde dat het doel moest blijven: de behartiging van de belangen van de van ouds inheemse bevolking, de scharende leden.

De niet-scharende, ook wel -slapende- Erfgooiers genoemd, zaten ook niet stil. Een presentatiegeld werd tenslotte aan tenslotte aan alle bezoekende leden (zowel scharende als niet-scharende) der jaarlijkse algemene vergadering toegewezen.
Een merkwaardig voorbeeld van gemeenschappelijk bezit en gebruik van gronden is, zoals in dit beknopt verhaal over de Erfgooiers getoond moge hebben, is in dit oude land door de eeuwen heen blijven bestaan.

De Gooiers waren langzamerhand in plaats van horigen vrije mannen geworden, met het recht tot gemeenschappelijke vrije beweiding der uitgestrekte meenten,
dat zijn grote gemeenschappelijke weilanden, sinds eeuwen in gemeenschappelijk gebruik. Zij liggen ten westen van Bussum de Hilversumse meent (op grondgebied van de gemeente Hilversum, ten oosten van het Naardermeer en aan de IJsselmeerkust (vroeger de Zuiderzeekust) bij Huizen en Blaricum; de Oostermeent. Ongeveer 2500 stuks vee werden er geweid, allengs door bebouwing voor woningbouw verminderd (het was het jaar 1970 werd dit geschreven).

"Stad en Lande voor Gooiland" en de verenigeing van erfgooiers werden in 1979 na erkenning van rechten voor scharende- en niet-scharende leden, ontbonden en opgeheven.

Auteur L. A. Boer


Ook belangrijk in de context Naarden-Bussum is het belangrijk te weten over de bestuursvorm Buurmeesters en Armenmeesters

Buurmeesters en Armenmeesters van Bussum.

Is referendum nu een onderwerp van de hedendaagse politiek, in vroeger jaren bestond het al. Zoals u kunt lezen werden buurmeesters ieder jaar gekozen voor twee jaar uit de eigen bevolking. Eens per jaar in mei en bij onderwerpen waarbij direct een besluit nodig was werd de hele bevolking bij elkaar geroepen en werd er gestemd.

Meer democratie kun je niet wensen en alleen bij een meerderheid werden besluiten genomen.

Buurmeesters

Wie waren dat buurmeesters.?

Het waren bewoners van Bussum Zij konden lezen, schrijven en rekenen. Voor deze tijd bijzonder. Formeel protestant, maar bij gebrek aan protestanten in Bussum werden meestal Katholieken gekozen. In de priode van 1750 tot 1809 waren de gekozenen gemiddeld 43 jaar. De jongste buurmeester was 26 jaar (Claas de Beer) en de oudst gekozen was 67 jaar (Lammert Coppen Distelblom) De begroting laat zien dat de meeste inkomsten kwamen uit de verkoop van schapenmest. De arme zandgronden hadden behoefte aan mest en dus was schapenmest geld waard.

In vroeger tijden - toen Bussum nog geen zelfstandige gemeente was (1817)kwamen de bewoners in de maand mei bijeeen en hielden een buurtspraak. Zij praten daar over het wel en wee van hun buurtschap en kozen uit hun midden de armmeester en de buurmeester. Elk jaar voor de duur van twee jaar werd er een buurmester gekozen en trad dus ook een af. Zo was er altijd een oude en een nieuwe buurmeester in functie. Deze keuze werd formeel bekrachtigd door de schepenen van de stad Naarden en genoteerd in het resolotieboek van de stad. De oude buurmeester hield het buurmeesterboek bij.

Het buurmeesterboek was in feite een soort kasboek waarin per jaar de inkomsten en uitgaven van het buurtschap werden beschreven. Van de reeks buurmeesterboeken die er in de loop van de eeuwen is volgeschreven, is slechts het laatste exemplaar bewaard gebleven. Het bevindt zich in het stadsarchief van de gemeente Naarden.

Bij grondige bestudering van het boekje komt veel informatie naar voren uit het leven van Bussum in Het verleden.
In het geslacht van den Berg komen de volgende buurmeesters voor:

Buurmeester

1724 Marten Gijsberszoon
1729 Marten Gijsberszoon
1731 Marten Gijsberszoon
1751 Marten Gijsberszoon
1756 Marten Gijsberszoon

1795 Municipaliteit Wessel Marten van den Berg

Armenmeesters

1785 Marten van den Berg
1789 Marten van den Berg
1796 Marten Hendrikzoon van den Berg

Bronvermelding: De heer en mevrouw de Beer (Het buurmeester boek)

Een stukje uit het boekje "In Bussum kan alles" (blz 12 en 13)

Een radicale ommekeer, (zo dachten zeker de Bussummers) volgde pas na de Franse revolutie van 1789. De Fransen brachten de vrijheid en verlosten ons land van de regentenkliek en de nooit sterk optredende stadhouder Willem V. De al jaren bestaande, (door de inval van de Pruisen die Willem in 1787 te hulp schoten), onderdrukte beweging voor democratie kon nu doorzetten.

Alom richtte het volk vrijheidsbomen op. Op 19 jan. 1795 bereikte een Franse legermacht het Gooi. Twee dagen later werd deze in de vesting Naarden toegelaten en zij legerde daar een deel van haar manschappen. Terstond werd in de stad een nieuw bestuur gekozen. In Bussum zag men nu de kans zich los te maken van Naarden. Tot nu toe had het dorp alleen in kleine zaken zelf mogen beslissen.

Bussum had al eeuwen lang twee Buurmeesters (ook Buurmeesteren genoemd) die op voordracht van de gezinshoofden (in buurspraak bijeen) door Naarden werden benoemd. Zij waren rekening en verantwoording verschuldigd aan het stadsbestuur, dus daaraan onderhorig.

De belangrijkste taak van de buurmeesters was wel het innen van die belastingen en pachten, welke in eigen kas mochten vloeien. Een andere taak bestond uit een beperkte medezeggenschap in het beheer van meenten en heiden die de erfgooiers gezamenlijk gebruikten. In de praktijk hielden de burgemeesters van Naarden alle belangrijke zaken aan zich en traden zij mede namens Bussum op.

Wat deden de buurmeesters verder? Zij stelden de voordracht op voor een nieuwe schoolmeester als dat nodig was, en betaalden zijn traktement en de turf die hij stookte. Ze onderhielden de kapel en schaften een uurwerk voor het torentje aan.

Zij lieten gaten in de zandwegen dichten en sloten uitbaggeren, zij hielden de dorpspompen in gang. Tenslotte - geen geringe taak - lenigden zij met hulp van armenmeesters de ergste nood onder de behoeftige. Enig zelfbestuur was er dus wel, maar niet genoeg.

De Bussummers mochten in 1795 in de Grote Kerk van Naarden de verkiezing van een nieuw bestuur - de muncipaliteit - bijwonen, maar zelf geen stem uitbrengen.

Dit stak hen. Zij kozen nu een eigen bestuur met Ysaak Kaarsgaren als president en Lammert Janszn Majoor als secretaris. Bussum vroeg erkenning van de zelfstandig- heid aan de Provisionele Representanten van het volk van Holland. In 1796 vernietigden Provisionele Representanten het besluit van Bussum om een eigen bestuur aan te wijzen. Het zou nog tot nog tot 1817 duren dat de wensen van de Bussummers vervuld werden

Naarden heeft de gronden die rondom de stad waren en de dorpen welke rondom hen onstonden meer en meer tot eigen bezit te maken, en de ontwikkeling van dezer altijd geprobeerd tegen te werken, het probeerde de dorpen zoveel mogelijk van Naarden afhankelijk te maken en dat resulteert altijd in het tegenovergestelde.