geschiedenis
en genealogie van de familie Post.
De
genealogie van de familie Post kan u ook goed volgen uit de
parentelen, persoonskaarten en kwartierstaten die ik over hen in de
homepage inbreng. (Er komt ook nog wel een verhaal bij)
Als je de
definitie van een wat is nu een erfgooier? Volgt, uit het boek
"Erfgooier ten eeuwigen dage"
Dan weet je ook meteen dat
de Posten geen erfgooiers kunnen zijn. Zij kwamen uit het Utrechtse
uit de omgeving van Soest. Daarvoor waarschijnlijk uit de omgeving
van Renswoude.
Joannes Teunissen Post herbergier in de
Oragneboom te Bussum, circa 1750, had om reden dat hij afkomstig was
uit Soest, de bijnaam Jan van Soest.
Erfgooiers waren
in een marke verbonden lange tijd voordat de Posten in het Gooi
kwamen wonen, waarbij het erfgooierschap in deze marke-verbondenheid
alleen werd doorgegeven in mannelijke lijn.
Daar mijn
interesse voor de genealogie van de familie Post, al eerder gewekt
was.
Had ik toendertijd om mijn gegevens op te slaan een vrij
onbekend genealogie-programma, bij in gebruik nemen van een nieuwe
computer met het besturingsprogramma Windos Xp, kon dit programma
daar niet op draaien en gingen veel verzamelde gegevens verloren.
Op
Internet kon ik het genealogieprogramma Aldfear downloaden en nu wil
ik al mijn gegevens daarin onderbrengen.
Met de vele
verwijzingen naar archieven, testamenten en akten en fotomateriaal,
wil ik het verhaal in een nieuw document gestalte geven. Daar start
ik nu mee.
Bussum, dinsdag 17 februari 2004. Henk
Post
==========================================
INVOEGING
2009
Beknopt stukje van de geschiedenis van het Gooi uit:
(-Het land van Gooi en Eem- van de auteur A. L. Boer).
Hoe HET
GOOI ontstaan is
Hoe is de aarde onstaan ? -Europa, Nederland,
het Gooi- Daar ligt een mysterie in dat geen sterveling op kan
lossen, dat voor de gelovige is aangeduidt met de prachtige woorden,
waarmede de Bijbel in de Statenvertaling begint: -In den beginne
schiep God den hemel en den aarde-.
De Amerikaanse schrijver,
Jac London, gaf aan een van zijn boeken de titel: -Gods own country-,
-Gods eigen land-. Dat is het Gooi op zekere hoogte ook gebleven: een
stuk ongerepte natuur, door mensen onaangetast, zo daar neerliggend
onder de hemelen als het eenmaal in verre tijden ontstond. (het is nu
zo'n 30 jaar later, dan dat de schrijver dit schreef, er is in de
jaren hierna veel veranderd en héél veel van dat oude
verloren gegaan),
"Verre tijden". De geoloog speurt
naarstig naar merktekenen van van vervlogen eeuwen.
De
hoofdstad van het Gooi, Hilversum, bezat in de heer P. van der Lijn,
een van de beste kenners in ons land van dat land en grijs verleden.
Schrijver dezes de hr. Boer is met de deze hr. Van der Lijn op stap
geweest om te zien en te horen van de geologie van het Gooi, en maakt
van onderstaande inlichtingen dankbaar gebruik.
Honderdduizenden
jaren geleden is ons land, als een Venus uit het schuim der golven,
uit het water geboren. De grote rivieren voerden materiaal: zand,
leem en grind naar de ondiepe Noordzeebaai die daar lag waar later de
lage landen zouden ontstaan. Toen kwam de tijd van het zgn. diluvium
of pleistoceen, een tijd van grote temperatuur- schommelingen met
vaak perioden van grote koude. In zulk een lange en strenge
koudeperiode kwamen de gletschers uit Scandinavie en Finland
tot aan het tegenwoordige Gooi toe. Dit is de periode van wat de
geologie Rissglaciaal noemt.
Deze ijstijden
zijn door de stuwingen die daardoor ontstonden ook heel bepalend
geweest voor de landschapsvorming van onze omgeving.
Wie de
grote zandgroeve bezoekt die, nogal verscholen even rechts van de weg
Hilversum-Laren ligt, ziet hier iets van wat het grootse en geweldige
spel der natuur tot stand bracht. Rijn en Maas zetten hier een enorme
zandbank af. Zo werd in 1934 op de vloeivelden bij Anna's Hoeve te
Hilversum een boring verricht tot een diepte van 160 mtr onder het
maaiveld. Behalve drie kleilagen van 100, 70 en 12cm dik en een
humusrijke zandlaag was alles zand en grind wat werd opgeboord. Per
jaar zal ongeveer 1 mm zand door een rivier worden afgezet. Dit
betekent dat elke meter 1000 mm vertegenwoordigt dus 1000 jaar
zandafzetting.
De oudste opgeboorde zandlaag moet
derhalve van minstens 160.000 jaar geleden dateren. Op het gebied van
deze zandafzetting, reken daar gerust ook nog bij de Utrechtse
heuvelrug overgaand in de Veluwe en dit weer overgaand in de Drentse
zandgronden. Men kan bewijzen dat dit op deze wijze tot stand is
gekomen, omdat de afzettingen overeenstemmen met het materiaal uit de
rotsen in Belgie, Duitsland en Noord-Frankrijk. Tot zover de opbouw
van het gebied in beknopte vorm.
Terug in de geschiedenis van
"het Gooi" en van de stad Naarden
Het allereerste
wat er in de geschiedenis van de stad Naarden bekend zou zijn is dat
het klooster Werden in Duitsland, dat al een leenpacht op
Naardinckland had. Naarden heette toen nog Nathuri; hier een kopie
uit een internet-site over de : Abdij van Werden, de monikken
evangeliseerde de Franken en de Saxen
De oudste geschreven
kerkbron noemt Nathuri (Naarden). Het is een beschrijving van de
bezittingen van de abdij in Werden (Ruhr-gebied) uit 900 na Chr. De
kerk en het kerkeland maakten deel uit van die abdij.
Een stenen kerk in een houten dorp dat noordoost van het landgoed Oud-Naarden lag. Dat is een plek die nu onder de waterspiegel van het Gooimeer ligt.
In 1977 werd
tijdens de restauratie van de Grote of St. Vituskerk in
Naarden-Vesting bij graafwerkzaamheden in de kerk een altaarsteen
opgegraven. Het verhaal gaat dat deze steen op de foto afkomstig is
van de Naruthikerk uit de 8e eeuw.
In
die tijd moet het (de Zuiderzee in die tijd) Gooimeer nog droog zijn
geweest maar later bij voortdurende overstromingen kalft steeds meer
veen af.
Het oude Naarden verdwijnt in de golven.
In
968 wordt het Gooi ? dat dan toen nog Naerdinclant heet ? voor het
eerst in de geschiedenis genoemd. Tevoren in het begin van de achtste
eeuw, zal Willebrord hier het Christendom hebben gebracht, op het St.
Janskerkhof een begin makend met zijn
evangelieprediking.
===============================================
INVOEGING betreffende Wichman IV uit Wikipedia
Door deze invoeging uit Wikipedi komt naar voren hoe verworteld en verbonden de Gooise geschiedenis is aan de streek Nord-Rhein Westfalen in Duitsland.
Het graafschap Geldre (en Hameland) strekte zich toendertijd uit tot ver over de nu bestaande Duitse grens.
Dan nog te bedenken dat alle lichtblauw weergegeven woorden hyperlinks waren waarbij men doorklikte naar genoemde objecten of personen.
Wichman IV (ca. 920 – Mönchengladbach 20 juli na 974) was graaf van Hamaland en de Veluwe, en ook van het Gooi (Naardingerland).
Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 29 september 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij graaf van Gent en de gebieden ten noorden daarvan, tot aan de Schelde, als vazal van Arnulf. Samen met Arnulf stichtte hij de Sint-Baafsabdij van Gent opnieuw, die door de Vikingen was verwoest. Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en werd in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint Omars en Maagdenburg bij Deventer bezaten.
In 966 overleed zijn enige zoon. Wichman was toen al weduwnaar en het wegvallen van zijn opvolger moet een grote slag voor hem zijn geweest.
Hij droeg zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk van Holland II en hij stichtte het Sticht Elten. Zijn jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee-derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Zijn oudste dochter Adela die alleen een derde deel van de persoonlijke bezittingen zou krijgen, weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, uiteindelijk kreeg ze de helft van de persoonlijke bezittingen en van de grafelijke rechten van haar vader toegewezen.
Wichman werd in 974 lekenbroeder in het klooster te Mönchengladbach. Hij overleed daar op 20 juli van een jaar (kort?) ná 974. Wichman is begraven te Hoog-Elten.
Zijn stoffelijk overschot is niet teruggevonden bij de opgravingen van 1964-1965. Het is waarschijnlijk bijgezet in een afzonderlijke kapel waarin ook het Gangulf-altaar stond en die zich iets ten zuid-oosten van de familiebegraafplaats moet hebben bevonden.
Bij de opgravingen in Hoog-Elten is het graf van zijn vrouw Liutgard wel gevonden. Aan haar skelet ontbrak één hand met het polsgewricht, terwijl haar gebeente daar tekenen van botvliesontsteking vertoonde. Zij is dus overleden aan de gevolgen van een ernstig ongeval of een geweldsincident.
=============================================
Het bovenbeschrevene heeft heel veel in de Gooise geschiedenis bepaald en zelfs ook voor de erfgooier.
Zij waren dan wel geen horigen in de ware zin van het woord. Maar waren wel met (Koptienden) betalingen voor eeuwen verplicht verbonden aan het Sticht te Elten.
Misschien ook nog wel mede door Floris V (1254-1296), die het naar het zeggen wel heel goed bevolking voor had, maar toch een leenheer was voor het Sticht.
=====================================================
In 968 dan woonde
in het gebied van Zutphen, Graaf Wichman, tot wiens bestuursgebied
het Gooi behoorde. Een van zijn dochters Luitgarde (de Luitgardewegen
in Hilversum en Bussum eren haar nagedachtenis) werd abdis van het
door Graaf Wichman (Graaf o.m. van Hameland) gestichtte klooster in
het Gelderse Elten (Gelre), later Duits geworden, (in 1949 kwam Elten
bij Nederland geannexeerd gebied als een goedmakertje voor de Duitse
bezetting maar in 1963 werd het weer Duits gebied).
Aan dit
klooster schonk Graaf Wichman in het bovengenoende jaar 968 met
toestemming van Keizer Otto I o.a. heel Naerdinclant, het ganse Gooi.
Drie eeuwen lang bleef het Gooi in het bezit van deze abdij, die aan
St Vitus was gewijd, vandaar de naam Vitus-kerk voor verschillende
Gooise kerkgebouwen.
In de dertiende eeuw kreeg Gysbrecht II
van Aemstel van de abdis van Elten enige rechten in
Naerdinclant.
Ook van de bisschop van Utrecht ontving hij
leengebieden: Muiden, Diemen, Weesp. Zijn machtsuitbreiding leidde
tot conflicten met Utrecht en het graafschap Holland, en dit leidde
weer o.a. tot een slag bij Soest in 1260 en tot de ondergang der
Heren van Aemstel in 1280.
Dan wordt Floris V de man. Deze
beroemde Graaf van Holland krijgt het Gooi toegewezen, al blijft de
abdis van Elten haar kerkelijke rechten houden in dit ook later tot
het einde der negentiende eeuw in het overwegend Roomskatholiek
gebleven Gooiland.
Notities bij Floris V [graaf]van
Holland
Floris V is in verschillende opzichten een belangrijke
graaf. Hij zet zijn stempel op de geschiedenis van Holland. Boeren
krijgen moerassen die zij ontwateren en omtoveren in vruchtbaar land.
Ze graven sloten en bouwen dijken. Ook steeds
meerverdedigingswerken komen er. De bevolking groeit en de economie
bloeit. Dankbare boeren noemen Floris der Keerlen Gods.
Floris
V is geboren in Leiden in juli 1254. Op (tweejarige) leeftijd wordt
hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader, de Rooms-koning Willem
ll, is een half jaar daarvoor vermoord.
Op twaalfjarige
leeftijd, in 1266, wordt de jonge Floris officieel meerderjarig
verklaard.
Floris V is intelligent en charismatisch. Hij bedwingt
acht jaar later, op twintigjarige leeftijd in 1274, een grote opstand
van de Kennemerlanders (het gebied rond Haarlem en Alkmaar) en de
Waterlanders (ten noorden van Amsterdam).
Hij verjaagt
Avesnes uit Holland in de herfst van 1277 en met grote leningen houdt
hij de bisschoppen van Utrecht in zijn macht. Hij ontvangt het
Nedersticht in pand in 1279 en maakt belangrijke gebieden als
Woerden, Amstelland en het Gooi tot lenen van Holland.
Zijn
schuld aan de hertog van Brabant voor het Brabantse deel van
Zuid-Holland is in 1283 helemaal afgelost. Floris krijgt het land in
ruil voor steun in het streven van de hertog naar meer macht in
Limburg. Floris heeft zijn handen vol aan de Westfriezen. Pas in 1289
verslaat hij ze definitief. Floris beheerst nu het gehele huidige
Noord-Holland inclusief Texel.
Floris V raakt ook steeds met
zijn schoonvader, de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, slaags. Ze
vechten een felle strijd om Zeeland. Floris verslaat zijn schoonvader
uiteindelijk bij Baarland in 1295.
Hij laat zich nadrukkelijk
-graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland- noemen vanaf 17
maart 1291.
Zijn politiek is op Engeland gericht. Zijn aanspraken
op de in 1290 vacant geworden Schotse koningstroon laat hij afkopen.
Maar in 1296 gooit hij het roer om en verbindt zich met Frankrijk.
Ontevreden edelen smeden een complot en hij wordt gevangen
genomen. Hulp van Hollandse boeren komt te laat. Floris V wordt
vermoord bij Muiderberg op 27 juli 1296. Aanvankelijk is hij begraven
in Alkmaar in de Grote Kerk, later wordt hij herbegraven in
Rijnsburg.
In die tijd onstaat de naam Gooi, waarschijnlijk
afgeleid van go of gouw, van oudsher was dit een term waarmede een
landstreek werd aangeduid. Ons land was vroeger verdeeld in "gouwen"
of gewesten, die een "gouwgraaf" aan het hoofd van het
streek-bestuur hadden.
In 1296 werd Floris V in de bossen van
de Egelshoek bezuiden Hilversum gevangen genomen door de saamgezworen
edelen tijdens een van die typisch middeleeuwse valkenjachten van die
dagen.
Naar het slot Muiden werd hij overgebracht met de
bedoeling hem naar Engeland te voeren. De Gooilanders omsingelden het
slot, waar hun graaf, -der Keerlen God-, (want de spotnaam der edelen
was in die tijd GRAAF VAN DE BOEREN) gevangen zat.
Weggevoerd
door zijn vijanden in de richting van Naarden werd hij nabij
Muiderberg vermoord.
(Wat ik in mijn jeugd altijd hoorde is hij
vermoord bij de Karnemelksloot bij Naarden H.P.)
Hier past dan
ook nog goed bij, een stukje Naardense Geschiedenis uit het boekje
-Stad in de
Wallen- door; Jan Poortenaar.
TWISTEN EN STRIJD
Nu was
er in die tijden aan twisten en strjd geen gebrek. Overschreed iemand
de grezen van zijn dorps- of stadgebied, zo schrijft Hortentius een
kleine honderd jaar later, en kapte er hout of stak er turf, dan was
de boete 1 schaap, maar over die schapen, begrenzingen en
overtredingen was men het zelden een, en dat gaf tot nieuw geharrewar
aanleiding. Zo ging het in het klein tussen boeren en dorpen, maar
ook in het groot tussen de graven van Holland, de hertogen van Gelre,
en de bisschoppen van Utrecht.
Men greep dan spoedig naar de
wapens, -ook omdat het destijds het gebruik was, na een overwinning
eens flink te plunderen- en men dus kans had op een goede buit.
Helaas was het Naarden beschoren om een twistappel te worden, het
brandpunt van een felle strijd, die zich ontwikkelde tussen de graaf
van Holland enerzijds, en de gra-ven Gelder met steun van de bisschop
van Utrecht aan de andere kant.
NAARDEN
Er waren
veelvuldig schermutselingen, maar ook ernstige botsingen. In 1420
werd een aanval op Naarden afgeslagen; de vijanden konden het niet
verder brengen dan Hilversum, toen nog een klein dorpje, dat
geplunderd werd.
In 1454 behaalde de mannen van het Gooi, die
werden afgeschilderd als dapper en bekwaam in oorlogsvoering, een
-treffelijcke Victorie- in een -Veltslach- tegen de Amerfoorters; dit
alles was echter maar kinderspel bij wat volgen zou.
In
december 1481 waren een vrij groot aantal burgers uit de stad naar
Deventer gegaan, teneinde inkopen te doen voor de lakenweverij,
waarvoor Naarden bekend was. Reeds eerder had men de stad vergeleken
bij een weverswinckel, soo eer sijn de inwoners ghewoon de spoel door
het web te laten loopen?.
Nu moet de vijand er achter gekomen
zijn, dat veel weerbare mannen afwezig waren. In het holst van de
nacht naderde hij de stad, en hij kon zich prachtig verdekt opstellen
onder de bomen en struiken, die de Naardenezen zelf zo zorgzaam
rondom hun stad geplant hadden. Ze boden nu de vijand een prachtige
schuilplaats (al zit er in de maand december niet al te-veel blad
meer aan loofhout H.P.) om zich verdekt op te stellen. (foutje!
H.P.)
Vervolgens werden enkele krijgslieden, die zich verkleed
hadden als vrouwen, die ter markt wilde gaan, vooruit gezonden. Zij
vroegen aan de poort toegang tot de stad. Toen de Poortwachters
zonder kwaad te vermoeden, de poort opende, werden zij door de
-vrouwen- overhoop gestoken en kwamen meteen wel zehonderd man
krijgsvolk uit de sruiken en stormden de stad binnen, geleid door een
aanvoerder, die als -Perrol met de rode hand- bekend en berucht was.
Hij moet het geweest zijn, die Jan van Schaffelaar te
Barneveld in het nauw bracht en van de toren deed springen. "tenzij
er fantasie in het spel is bij het verhaal van die sprong, dat
tegenwoordig nog wel eens in twijfel getrokken wordt". (-De
schaapherder- roman van F.J. Oltmans (1806-1854) een roman uit de
Utrechtse oorlogen).
Maar hoe dan ook: die Perrol was niet
iemand om mee te gekscheren. Hij en zijn mannen sloegen neer wie niet
ontvluchten kon, plunderden de stad en staken ook de kerk in brand.
De zusters van het klooster hadden inmiddels kans gezien velen door
het Vestpoortje buiten de stad in veiligheid te brengen, en de
miskelk te redden door die te begraven.
Heel Holland kwam in
rep en roer over die schanddaden. Men bracht ijlings troepen bijeen
en zo rukte een legermacht onder bevel van Joost van Lalaing, aan,
waarbij een ridder uit Biscaye, Petit Salasar met zijn huurlingen, om
Naarden te ontzetten. De Biscayers waren goed bewapend met ijzeren
hand- en voetbogen, en zo dreven de troepen van Lalaing, de vijand
spoedig op de vijand spoedig op de vlucht, die inderhaast het meeste,
dat hij geroofd had, in de steek moest laten.
Lalaing zette de
benden van Perrol na tot in Eemnes, Baarn en Soest, en stak deze
dorpen in brand. Dit gebeurde op 21 december; en kerstavond daarna
joeg en nog steeds op de vluchtende vijand tot onder de muren van
Utrecht, om met buit beladen naar Naarden terug te keren. Ter ere van
deze glorierijke veldtocht werd te Amsterdam en te Naarden een
verdedigingstoren gebouwd, die men "Swijght Utrecht" =
Zwijg-Utrecht = noemde, en die bij een mogelijke herhaling van de
aanval goede diensten zou kunnen bewijzen. De Amsterdamse is nog in
de zeventiende eeuw door Rembrandt getekend; die van Naarden stond op
de plaats waar nu het bastion "Oranje" gelegen is en werd
in 1681 afgebroken; dat men het machtige Utrecht het zwijgen had
kunnen opleggen, vervulde de harten der Hollanders en Gooiers tot
rechtmatige krijgmanstrots zo een wapenfeit moest terdege vereeuwigd
worden.
Opnieuw werden de muren van Naarden onderhanden
genomen; zij waren met de tegenaanval op veel plaatsen vernield en
hele brokstukken waren in de vestinggracht gevallen. Opnieuw moest de
omgeving meehelpenen de bewoners van de vier dorpen Huizen, Blaricum,
Laren en Hilversum kregen bevel aan de herbouw van wallen en muren
mee te werken. Deze dorpen dankte ook veel van hun welvaart aan de
hoofdstad; de Hilversummers ten minste beweerden, dat zij wel konden
gaan bedelen als er geen Naarden met zijn lakenweverijen
bestond.
Bij vijandelijke strooptochten hadden de dorpen ook
wel te lijden, maar de "steden", al waren zij moeilijker in
te nemen, beloofden de op roof beluste benden groter buit. De "stad"
moest de spits afbijten voor de ommelanden en het was dan ook niet
meer dan billijk, dat de dorpjes daarom heen hielpen om de stad zo
onneembaar mogelijk te maken.
Tot zover: Jan de
Poortenaar
Het Gooi, lange tijd grensgebied tussen Holland
en Het Sticht, bleef lange tijd gevechts- terrein. Toch sterkte het
de streek in saamhorigheid.
De Erfgooiers (zie de regelementen
hieromtrent, de overdracht van erfrecht van vader op zoon en het
verbonden blijven door te blijven wonen in het
erfgooiers-gebied).
De Erfgooiers kregen hun eerste
Schaarbrief van Hertog Albrecht van Beieren in 1404.
Wanneer
er in door geschiedschrijvers, geschreven wordt over het Gooi in de
zestiende eeuw dat toen de economische situatie minder florissant
werd en dat dit voor een deel kwam door naweeën van de ramp van
1481. (ik denk dat het meer een kwestie is dat Naarden koos voor de
hervorming).
Door deze keuze
volgde er een straf-expeditie door de Spaanse bezetters (1572).
De
stad Naarden was niet te houden in 1572. Ondanks plechtige beloften
van lijfs-behoud en verschoning van plundering, richtten de Spaanse
bezetters op 1 december 1572 in Naarden een vreselijk bloedbad aan.
Moordend, plunderend en brandstichtend trokken de bezetters
door het stadje, waar weinig van overbleef. Zestig inwoners wisten te
ontkomen. De stadswallen werden geslecht.
Nu even terug naar
1481 en de gevolgen daarvan
De Plunderingen en moordpartijen
te Naarden en de dorpen hadden tot onzaggelijke schade geleid en tot
bijna een halvering van de bevolking! Pas ruim dertig jaar later was
het aantal Gooiers weer even groot als voor de ramp.
In totaal
telde de de streek toen ongeveer vijfduizend inwoners, van wie er
bijna drieduizend in Naarden (inclusief Bussum) leefden.
(Uit: -ACH LIEVE
TIJD- blad over geschiedenis van het Gooi)
De lakenweverij kon
zich niet meer volledig herstellen. De top van de vijf-tiende-eeuwse
productie- 20.000 stuks laken per jaar. Werd bij lange na niet meer
gehaald.
Behalve aan de catastrofe van 1481 lag dat ook aan
de toenemendde con-currentie van andere steden en aan de mindere
kwaliteit wol die de Naarders gebruikten. Ook het regelmatig geknoei
met leveranties deed de reputatie van het Naardense laken in de
vreemde weinig goed. dit alles zo ongeveer 1520
Maar als we nu
een vijtig jaar later 1572 de Naardense bevolking in ogenschouw mogen
nemen uit wat er verhaald wordt in de -Slachting te Naarden-, en we
tellen het bevolkingsaantal (460 personen) waarvan er 400 door de
Spanjaarden werden vermoord en slechts 60 de moordpartij ontkwamen.
En als men wil geloven dat er 400 personen werden samengedreven
in Het Spaanse Huis te Naarden dan moet men nu nog maar eens dat
herbouwde optrekje gaan bezichtigen. En werd na de slachting de
vesting geslecht en de grachten gedempt, de bewoners van de
buurdorpen werden hiervoor ingeschakeld. Als men de geschreven
geschiedenis zou moeten geloven.
Er zijn veel zg.
geschreven geschiedenisfeiten die elkaar tegenspreken.
Dus als
men bovenstaande stukken geschiedenis met elkaar vergelijkt ging
Naarden in een halve eeuw terug van ruim tweeduizend naar een krappe
vijfhonderd inwoners. En, dan, de herrijsenis als uit het
niets.
(door de terugkomst naar de verwoeste stad van 60
bewoners?).
Het lijkt meer op een verhaal om de barbaarsheid
van de (Spaanse) katholieken te schilderen en daar tegenover de
berustende, zich zelf verdedigende devote op Gods hand rekenende
protestanten.
Zelfs Lambertus Hortentius die zelf de slachting beschreef, speelt hierin een twijfelachtige rol. Een man die zijn boeken in veiligheid mag brengen onder het mom het is een priester. Zag bij zijn oudste zoon het hart uit zijn lijf snijden, maar zwijgt en ziet lijdzaam toe, omdat een priester vanwege zij celibatair leven geen zoons kan hebben.
Zijn tweede zoon
die ook priester was, werd vier jaar na de slachting benoemd tot
vervangend prediker in de Grote Kerk voor Hervomd Naarder. (Waren het
afvallige katholieken?)
Het verslag van de slachting in
Naarden ging zelfs zover dat de overgebleven huizen werden
platgebrand en verdedigings-grachten en wallen werden gedempt en
geslecht de bewoners van de buurdorpen moesten daarmee helpen.
(de Grote kerk:
begin van de bouw in het jaar 1387 voltooid in het jaar 1440, daarna
in het jaar 1468 en in het jaar 1481 door brand verwoest en weer
hersteld bleef in het jaar 1572 gespaard). (hij staat er nog
steeds).
Die in het jaar 1518 voltooid was doorstond alle
gruwelijkheden in 1572, de zoon van Lambertus Hortensius, Hieronymus
Hortensius werd net als zijn vader priester, maar werd in het jaar
1576, 4 jaar na de slachting, als tweede predikant aangesteld van
hervormd Naarden.
In 1585 belegerde het Spaanse leger zonder
succes de inmiddels herbouwde vesting Het is maar welke
geschiedschrijving juist is, en wat men er van wilt geloven.
Maar
de stad herstelde zich spoedig, met de wonderlijke vitaliteit van die
jaren. In 1602, dertig jaar na de Spaanse furie, werd het stadhuis
gebouwd, dat nog steeds het sieraad van Naarden is.
Maar
opnieuw naderde het oorlogsgeweld; in 1672 moest het zwakke garnizoen
zich aan de Fransen overgeven, die de stad 14 maanden bezet hielden,
waarna stadhouder Prins Willem III haar heroverde na een beleg van
zeven dagen.
Dat Menno van Coehoorn de ontwerper van de
vestingwerken was is een wijdverbreid misverstand. (deze gaf eerder
afbrekende krietiek op het werk van Van Witsen en Dortman).
In 1574 werd de opbouw van de vestingwerken weer ter hand genomen naar een ontwerp van Adriaan Anthonisz een sterktebouwmeester der Verenigde Nederlanden.
Na 1674 leverden
de heren Nicolaas van Witsen en Adriaan Dortsman een grote bijdrage
aan de afwerking van de vesting tot de huidige vorm.
De
stichting "Menno van Coehoorn" welke ijvert voor voor het
behoud van de oude vestings- en verdedigingswerken heeft veel gedaan
voor de renovatie en restautatie van de "vesting Naarden"
die nu in uitstekende staat verkeerd.
In 1787 werd Naarden
door de Pruisen bezet en twee jaar nadien door de Fransen in bezit
genomen en vijfentwintig jaar lang bezet gehouden. Op twaalf mei
1814, toen Napoleon oficieel van zijn gezag afstand deed kwam de stad
weer vrij.
DE ERFGOOIERS
Wie zijn die erfgooiers? In
1404 komt die naam al voor de dag. Praktisch gesproken zijn het dan
de leden van de gehele inheemse streekbevolking van die tijd. De
eerste schaarbrief, schaaren is vee-weiden, komt dan tot stand en
wordt door de hertog Albrecht van Beieren in dat Jaar bevestigd.
In
de aanhef van dit stuk, dat de Posten erfgooiers zouden zijn kom ik
bij deze op deze stelling terug, nadat ik de definitie van het
erfgooiersschap las in het boek "Erfgooiers ten eeuwigen dagen"
geschreven en uitgegeven door Anton Kos en Karin Abrahamse ter
gelegenheid van het 75 jarig bestaan van het Goois
Natuurreservaat.
Die definitie Luidt:
De meeest gangbare
definitie van een erfgooier is: een meerderjarige man, woonachtig in
Gooiland, die in mannelijke lijn afstamt van een erfgooier.
Erfgooiers waren al sinds de middeleeuwen verenigd in een
marke-organisatie.
Zij hadden gebruiksrechten op de zogenoemd
gemene gronden, zoals weiden heidevelden en bossen, in het Gooi,
noodzakelijk voor de explotatie van een gemengd boerenbedrijf. We
hebben het dus over boeren.
Die boeren en hun nazaten
beschermden eeuwenlang hun gebruiksrechten. Soms met veel en soms met
minder succes. Telkens ging het om het bestaansrecht van hun
organisatie of hun rechten, afgezet tegen de belangen van derden of
erfgooiers onderling. (tot zover het boek "Erfgooiers ten
eeuwigen dage").
Teunis Jacobse Post kwam in 1694 vanuit
het Stichtse naar Bussum en had zodoende geen recht op dit
erfgooiersschap.
Hoewel dit van meer erfgooiersfamilies gezegd
kan worden welke hun wortels ook elders hadden, maar zich misschien
eerder in het Gooi vestigden en zich waarschijnlijk inkochten in de
marke-organisatie.
Ook anderen hielden begerige ogen op deze
gronden geslagen. Zo wordt er in 1474 voor de Grote Raad van Mechelen
een proces gevoerd over de rechten der Gooiers. De Gooiers voerden
toen aan dat zij -van alle oude herkomen toe en zo lange tijd dat
geen memorie ter contrarie was, sinds de tijd dat het land van
Gooiland met volk bezet en bewoond is geweest, hebben genoten en
rustelijk en vredelijk gebruikt, de Gemeenten van Gooiland en de
daarin gelegen beemden, weiden, venen, moerassen, bossen heiden en
waranden-. De Erfgooiers wonnen dit Mechelse proces en werden in hun
gebruiksrechten met ere bevestigd.
In 1645 rees er -slechts
een greep uit de historie- weer een moeilijkheid, zeg maar conflict.
Een aantal heren uit Amsterdam wilden de toenmaals moerassige, venige
grond van 's-Graveland, waar de Erfgooiers ook hun gebruiksrechten
hadden, ontginnen. De Erfgooiers verzetten zich, maar de toestemming
werd verleend en de grondslagen van het tegenwoordige dorp
des-Graveland met zijn prachtige landgoederen werden gelegd.
Alleen
deze eis kregen de Erfgooiers vervuld, dat aanstaande bewoners van
het dorp des-Graveland van rechten der Erfgooiers werden uitgesloten.
Vandaar dat de naam van het dorp in het bovenstaande lijstje
ontbreekt.
De Erfgooiers, die tot dusverre allen maar
gebruiksrechten hadden, de Staten van Holland, opvolgers der
Hollandse graven, waren eigenaars van de gronden, kregen door
Koninklijke Besluiten van 1836 en 1843 een deel der gronden, de
weiden vooral in eigendom. Een ander deel, ontheven van het
gebruiksrecht der Erfgooiers, bleef Lands Domein. Koning Willem de
Eerste, die graag organiseerde, bevorderde deze regeling.
Het
besluit van 1836 noemde de Erfgooiers uitdrukkelijk eigenaars van het
hun toegewezen gedeelte, het tweede besluit laat dit in het midden:
De Gooise gemeenten lieten ook aanspraken gelden. Dit leidde tot
nieuwe moeilijkheden, vooral toen in de zeventiger jaren van de 19e
eeuwde invasie der vele vreemdelingen in de Gooise dorpen kwam.
Vroeger waren burgemeesters, wethouders, raadsleden vrijwel altijd
Erf-gooiers, nu verdween het oorpronkelijke Gooise
Erfgooiers-regelement allengs meer uit de gemeentebesturen en als de
grote vergaderingen van "Stad en Lande" in de Grote Kerk te
Naarden, later in het Hilversumse Sportpark, gehouden werden, liepen
meningen en belangen van gemeentebesturen en Erfgooiers vaak niet
Parallel.
In 1890 kregen de burgemeesters, waaronder nog maar
1 Erfgooier was, het uit-sluitend stemrecht. Het is begrijpelijk, ja
vanzelfsprekend dat dit de Gooise boer niet zinde! Floris Vos, het
latere Tweede Kamerlid, werd een der leiders van het verzet.
Fel,
zeer fel werd de strijd, die hier in allerminst in details beschreven
kan worden, een strijd die tot oprichting van een politieke partij
leidde en die in 1903 zelfs een mensenleven kostte.
De
regering onder leiding van mr Th. Heemskerk, besloot tenslotte in te
grijpen en de Erfgooierswet, waarvan hierboven gesproken is kwam tot
stand.
In 1912, toen de regering, om aan reeksen van
moeilijkheden een einde te maken een -Erfgooierswet- uitvaardigde,
werd de vereniging die deze naam draagt gesticht. In deze
-Erfgooierswet- wordt verklaard dat de de vereniging "Stad en
Lande van Gooiland" in eigendom heeft de gronden, thans als de
gemene heiden en weiden van Gooiland bekend. Alle meerderjarige
Efgooiers werden er lid van, voorzover ze dat de wet in werking trad
in Naarden, Bussum, Hilversum, Laren, Blaricum en Huizen gevestigd
waren.
De vereniging "Stad en Lande van Gooiland"
die tot doel heeft - bevordering van de welvaart harer leden en van
het Gooi in het algemeen, bepaaldelijk met het oog op het veehouders-
en lanbouwbedrijf, kreeg een bestuur van vijftien leden, waarvan
iedere Gooise gemeente er 1 benoemt. De scharende (veehoudende)
Erfgooiers kiezen er in elk der zes gemeenten een, de niet scharende,
dus geen veehoudende, leden verkiezen twee bestuursleden, terwijl de
voorzitter, als vijftiende lid door de Koningin wordt aangewezen.
Het nieuwe bestuur greep krachtig in in vaak zeer
verwaarloosde toestanden. Met steun van de Nedelandse
Heidemaatschappij werd de Hilversumse meent bewesten van Bussum en de
Oostermeent aan de IJsselmeeroever onder Huizen en Blaricum radicaal
verbeterd, zodat de opbrengst aanzienlijk steeg.
Men werd het ook
nu niet dadelijk over alles eens maar allengs daalde meer pais en
vree over de Gooise heiden en weiden.
De regering oordeelde
dat het doel moest blijven: de behartiging van de belangen van de van
ouds inheemse bevolking, de scharende leden.
De
niet-scharende, ook wel -slapende- Erfgooiers genoemd, zaten ook niet
stil. Een presentatiegeld werd tenslotte aan tenslotte aan alle
bezoekende leden (zowel scharende als niet-scharende) der jaarlijkse
algemene vergadering toegewezen.
Een merkwaardig voorbeeld van
gemeenschappelijk bezit en gebruik van gronden is, zoals in dit
beknopt verhaal over de Erfgooiers getoond moge hebben, is in dit
oude land door de eeuwen heen blijven bestaan.
De Gooiers
waren langzamerhand in plaats van horigen vrije mannen geworden, met
het recht tot gemeenschappelijke vrije beweiding der uitgestrekte
meenten,
dat zijn grote gemeenschappelijke weilanden, sinds eeuwen
in gemeenschappelijk gebruik. Zij liggen ten westen van Bussum de
Hilversumse meent (op grondgebied van de gemeente Hilversum, ten
oosten van het Naardermeer en aan de IJsselmeerkust (vroeger de
Zuiderzeekust) bij Huizen en Blaricum; de Oostermeent. Ongeveer 2500
stuks vee werden er geweid, allengs door bebouwing voor woningbouw
verminderd (het was het jaar 1970 werd dit geschreven).
"Stad
en Lande voor Gooiland" en de verenigeing van erfgooiers werden
in 1979 na erkenning van rechten voor scharende- en niet-scharende
leden, ontbonden en opgeheven.
Auteur L. A. Boer
Ook
belangrijk in de context Naarden-Bussum is het belangrijk te weten
over de bestuursvorm Buurmeesters en Armenmeesters
Buurmeesters
en Armenmeesters van Bussum.
Is referendum nu een onderwerp
van de hedendaagse politiek, in vroeger jaren bestond het al. Zoals u
kunt lezen werden buurmeesters ieder jaar gekozen voor twee jaar uit
de eigen bevolking. Eens per jaar in mei en bij onderwerpen waarbij
direct een besluit nodig was werd de hele bevolking bij elkaar
geroepen en werd er gestemd.
Meer democratie kun je niet
wensen en alleen bij een meerderheid werden besluiten
genomen.
Buurmeesters
Wie waren dat buurmeesters.?
Het
waren bewoners van Bussum Zij konden lezen, schrijven en rekenen.
Voor deze tijd bijzonder. Formeel protestant, maar bij gebrek aan
protestanten in Bussum werden meestal Katholieken gekozen. In de
priode van 1750 tot 1809 waren de gekozenen gemiddeld 43 jaar. De
jongste buurmeester was 26 jaar (Claas de Beer) en de oudst gekozen
was 67 jaar (Lammert Coppen Distelblom) De begroting laat zien dat de
meeste inkomsten kwamen uit de verkoop van schapenmest. De arme
zandgronden hadden behoefte aan mest en dus was schapenmest geld
waard.
In vroeger tijden - toen Bussum nog geen zelfstandige
gemeente was (1817)kwamen de bewoners in de maand mei bijeeen en
hielden een buurtspraak. Zij praten daar over het wel en wee van hun
buurtschap en kozen uit hun midden de armmeester en de buurmeester.
Elk jaar voor de duur van twee jaar werd er een buurmester gekozen en
trad dus ook een af. Zo was er altijd een oude en een nieuwe
buurmeester in functie. Deze keuze werd formeel bekrachtigd door de
schepenen van de stad Naarden en genoteerd in het resolotieboek van
de stad. De oude buurmeester hield het buurmeesterboek bij.
Het
buurmeesterboek was in feite een soort kasboek waarin per jaar de
inkomsten en uitgaven van het buurtschap werden beschreven. Van de
reeks buurmeesterboeken die er in de loop van de eeuwen is
volgeschreven, is slechts het laatste exemplaar bewaard gebleven. Het
bevindt zich in het stadsarchief van de gemeente Naarden.
Bij
grondige bestudering van het boekje komt veel informatie naar voren
uit het leven van Bussum in Het verleden.
In het geslacht van den
Berg komen de volgende buurmeesters voor:
Buurmeester
1724
Marten Gijsberszoon
1729 Marten Gijsberszoon
1731 Marten
Gijsberszoon
1751 Marten Gijsberszoon
1756 Marten
Gijsberszoon
1795 Municipaliteit Wessel Marten van den
Berg
Armenmeesters
1785 Marten van den Berg
1789
Marten van den Berg
1796 Marten Hendrikzoon van den
Berg
Bronvermelding: De heer en mevrouw de Beer (Het
buurmeester boek)
Een stukje uit het boekje "In Bussum
kan alles" (blz 12 en 13)
Een radicale ommekeer, (zo
dachten zeker de Bussummers) volgde pas na de Franse revolutie van
1789. De Fransen brachten de vrijheid en verlosten ons land van de
regentenkliek en de nooit sterk optredende stadhouder Willem V. De al
jaren bestaande, (door de inval van de Pruisen die Willem in 1787 te
hulp schoten), onderdrukte beweging voor democratie kon nu
doorzetten.
Alom richtte het volk vrijheidsbomen op. Op 19
jan. 1795 bereikte een Franse legermacht het Gooi. Twee dagen later
werd deze in de vesting Naarden toegelaten en zij legerde daar een
deel van haar manschappen. Terstond werd in de stad een nieuw bestuur
gekozen. In Bussum zag men nu de kans zich los te maken van Naarden.
Tot nu toe had het dorp alleen in kleine zaken zelf mogen beslissen.
Bussum had al eeuwen lang twee Buurmeesters (ook
Buurmeesteren genoemd) die op voordracht van de gezinshoofden (in
buurspraak bijeen) door Naarden werden benoemd. Zij waren rekening en
verantwoording verschuldigd aan het stadsbestuur, dus daaraan
onderhorig.
De belangrijkste taak van de buurmeesters was wel
het innen van die belastingen en pachten, welke in eigen kas mochten
vloeien. Een andere taak bestond uit een beperkte medezeggenschap in
het beheer van meenten en heiden die de erfgooiers gezamenlijk
gebruikten. In de praktijk hielden de burgemeesters van Naarden alle
belangrijke zaken aan zich en traden zij mede namens Bussum op.
Wat
deden de buurmeesters verder? Zij stelden de voordracht op voor een
nieuwe schoolmeester als dat nodig was, en betaalden zijn traktement
en de turf die hij stookte. Ze onderhielden de kapel en schaften een
uurwerk voor het torentje aan.
Zij lieten gaten in de
zandwegen dichten en sloten uitbaggeren, zij hielden de dorpspompen
in gang. Tenslotte - geen geringe taak - lenigden zij met hulp van
armenmeesters de ergste nood onder de behoeftige. Enig zelfbestuur
was er dus wel, maar niet genoeg.
De Bussummers mochten in
1795 in de Grote Kerk van Naarden de verkiezing van een nieuw bestuur
- de muncipaliteit - bijwonen, maar zelf geen stem uitbrengen.
Dit
stak hen. Zij kozen nu een eigen bestuur met Ysaak Kaarsgaren als
president en Lammert Janszn Majoor als secretaris. Bussum vroeg
erkenning van de zelfstandig- heid aan de Provisionele Representanten
van het volk van Holland. In 1796 vernietigden Provisionele
Representanten het besluit van Bussum om een eigen bestuur aan te
wijzen. Het zou nog tot nog tot 1817 duren dat de wensen van de
Bussummers vervuld werden
Naarden heeft de gronden die rondom de stad waren en de dorpen welke rondom hen onstonden meer en meer tot eigen bezit te maken, en de ontwikkeling van dezer altijd geprobeerd tegen te werken, het probeerde de dorpen zoveel mogelijk van Naarden afhankelijk te maken en dat resulteert altijd in het tegenovergestelde.