verzen en verhalen

Het dorp

Tekst: Hugo Verhagen

Thuis heb ik nog een ansichtkaart , waarop, 'n kerk, 'n kar met paard, 'n slagerij, J.van.der Ven.
'n kroeg , 'n juffrouw op de fiets, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, maar 't is waar ik geboren ben.
Dit dorp ik weet nog hoe het vroeger was, de boerenkinderen in de klas, 'n kar die ratelt op de keien.
Het raadhuis met een pomp ervoor , 'n zandweg tussen koren door, het vee, de boerderijen.

Toen ik langs het tuinpad van mijn vader, de hoge bomen nog zag staan, ik was 'n kind en wist niet beter, dan dat dit nooit voorbij zou gaan.

Wat leefden ze eenvoudig toen, in simple huizen tusen groen , met boerenbloemen en 'n heg.
Maar blijkbaar leefden ze verkeerd, het dorp is gemoderniseerd, nu zijn ze op de goede weg.
Want zie hoe rijk het leven is, ze zien de televisie-quiz en wonen in betonnen dozen.
Met flink veel glas dan kan je zien, hoe/of het bankstel staat bij Mien en haar dressoir met plastic rozen.

Toen ik langs het tuinpad van mijn vader, de hoge bomen nog zag staan, ik was 'n kind en wist niet beter, dan dat dit nooit voorbij zou gaan.

De dorpsjeugd klit wat bij elkaar in minirok en beathle-haar en joelt wat mee met beath-muziek.
Ik weet wel 't is hun goede recht, de nieuw tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melangoliek.
Ik heb hun vaders nog gekend, ze kochten zouthout voor een cent, ik zag hun moeders touwtje-springen.
Dat dorp van mij het is voorbij en alles wat er bleef voor mij, zijn een ansicht en een paar herinneringen.

Toen ik langs het tuinpad van mijn vader , de hoge bomen nog zag staan, ik was n kind en hoe kon ik weten? Dat dat voorgoed voorbij zou gaan.

============================================================


Dit liedje van Wim Sonneveld alweer zo-n vijfenveertig jaar oud de beatles-tijd, het zou nabij ons huis nabij de Laarderweg in Bussum, geweest kunnen zijn, aan weerskanten van de weg n rij zware lindebomen, en de weg ging wat verder, richting de engh en Laren over in een zandweg langs korenvelden.

Dezelfde velden waar in het najaar knollen op verbouwd werden. Voor mij klopt dat ook nog de kar met houten wielen beslagen met een ijzeren banden, ratelend over de beklinkerde weg geladen bv. met voornoemde knollen en je niet kon nalaten er eentje van te pikken, te schillen en rauw te eten. Toen ik dit verhaal aan de bazin van een camping in Drenthe vertelde, zei zij, precies zoals hier in Drenthe en er werd hier nog over gezegd, Knollen in het land, dan kan dokter aan de kant.
Het scheen gezond voor de mens te zijn , dat veevoer.

Het touwtje springen van de meisjes, en zoethout voor n cent bij Hopman in de Noorderweg. Waar je twijfelde of je voor je cent gebruik zou maken van de grabbelton of toch maar direct een paar staafjes zoethout te kopen om er daarna een grote gerafelde pluim aan te kauwen.

De slagerij klopt ook nog maar niet J. van der Ven, maar, slagerij P.J. de Jong op de hoek van het Singel en de Laardeweg (v.h. Slagerij Hunnik stond er op de winkelruit) was bij ons de slager.

We hebben deze veranderingen zoals ze in dit versje voorkomen elkaar op zien volgen.

En het komt op in je herinneringen en je beleeft weer hoe goed het als was in dat grote gezin (er kwamen in totaal 12 kinderen) daar aan de Koopweg in Bussum.

Waar je dan het eerst aan terugdenkt is vooral de geborgenheid in huis, op school en zelfs op straat.

Je ouders waren je helden. Ondanks de vooroorlogse crisisjaren (je kon hun zorgen vaak voelen) toch hadden we een fijne jeugd.

Deze grote gezinnen waren rondom, bij de buren en eigenlijk door de hele straat, de straten verder in de buurt was het dito. Daar vond je ook je vriendjes waarmee schoolging en op straat speelde.

Meestal, voetbal en speciaal -Koppen- of ook vaak verstoppertje met verlos, er werd dan afgeteld in decimalen tot hondertien en wie dan niet weg was, was gezien. Je moest wel uitkijken voor de buurman dat ie je niet uit zijn tuin wegjaagde als je je achter zijn heg verstopte. Dan was je meteen de prooi van de zoeker en kon je je niet meer vrij buten. Een groepje van tien of twaalf kinderen om mee te spelen op straat was heel gewoon.

De buurt was overwegend katholiek, de geloofsregels werden je ingelepeld en er werd van je verwacht dat je deze zou handhaven. Waartoe zijn we op aarde? Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.

Ik had er tussendoor wat gephilosopheerd en die tijd vergeleken met die van nu, maar er toch maar weer uitgehaald, Reden? Tijden kan men naar mijn dunk niet vergelijken in belevenissen

=============================================================

Mijn vader leerde mij de Tien Geboden in dichtvorm:

Bovenal bemin één God,

Zweer niet ijdel, vloek noch spot.

Heilig wel de dag des Heere,

Vader en moeder zult gij eren.

Dood niet, geef geen ergernis,

Doe nooit wat onkuisheid is.

Mijd het stelen en het liegen,

Ook het lasteren en bedriegen.

Wees ook kuis in uw gemoed,

En begeer geen anders goed.

Volgens mijn vader in simple woorden gezegd. Als je deze regels in acht zou nemen, kwam het wel goed met je.

Later heb ik anderen vaak horen zeggen, en tussen de regels door was ik het er wel mee eens: "de Kerk"? Nee, die heb ik niet zo nodig, ik tracht te leven naar de tien geboden, en ook daar heb ik dan nog een eigen interpretatie van!

Ja, later maar we hadden het over de jaren dertig-veertig.

Heel kort geleden (2009 de tijd van de ontkerkelijking) op vakantie sprak ik met vrienden over dit soort dingen zij vertelden mij over een vrind van hen die was overleden, er was een overlijdensdienst voor hem en daar zei de pastoor over de man, (hij kwam al jaren niet meer in de kerk). Deze man was een zeer gelovig en praktizerend Christen, hij had het alleen niet begrepen op het "grondpersoneel" die zijn geloof zouden moeten ondersteunen.

Mijn ouders trouwden in 1925, er kwamen eerst vier meisjes, daarna twee jongens jongens (waarvan ik weer de tweede was),
Hierna kwamen er eerst weer drie meisjes, en daarna nog drie jongens. Ik herinner me van die tijd dat mijn besef daartoe was. Dat het altijd een feest was als een kleine bijkwam.

Nu heb ik zelf kinderen, en kleinkinderen, mijn zoon zei deze week nog tegen mij, toen ik hem een verhaaltje over vroeger vertelde, nou pa dat zijn dingen die je op je site moet zetten.

Aan die verhaaltjes ga ik nu beginnen, en wil ze in hun juiste context zetten

==========================================================================

WAT IK MIJ HERINNER UIT MIJN VROEGSTE JAREN

Ik herinnner mij nog vaag de bewaarschool waar ik met mijn broer Arie naar, en na school weer nar huis liepen. Ik herinner me zuster Marca en juffrouw Gies of Van Giessen.

De lessen hoofdzakelijk liedjes leren en Marca sloeg de maat met het dekseltje van een sigarenkistje.

De bewaarschool was in de herenstraat was een onderdeel van Mariënburg een zutersklooster waarbij ook nog een kostschool was voor meisjes uit de gegoede stand, en een naaischool.

Van de bewaarschool ging je als rk-jongen naar de broederschool Vitus- of Willebrordusschool rk-meisje en naar de Mariaschool bij de zusters.

Ik herinner me dat we van school terug naar huis een brand zagen in een boerderij

Die stond op de hoek van de Prinsenstraat langs de Laarderweg.

Doorlopen, jongens, het is hier te gevaarlijk voor jullie! Op die plaats zijn nog voor dat de oorlog begon of tijdens de eerste twee jaar van de oorlog een blok van (zeven) winkelhuizen gebouwd. (de brand was in 1938?)

Zoiets gelijks werd gedaan op een braakliggend terreintje op de Laarderweg tegenover de Koopweg, daar kwam een blok van vier woningen,

Middenstandswoningen noemde men ze toendertijd, ik weet nog wie er woonden v.l.n.r. de families Schaap, Van Schooten, Roeten en Voet.

Herinner me uit die tijd dat we op koninginnedag 31 augustus met vader des-avonds mee mochten om naar het vuurwerk te kijken op de Bussummer-heide nabij de Fransenkampweg.

We liepen dan een stukje Laarderweg (de Spijkerstraat was de laatst bebouwde straat toendertijd)

Daartegenover een paadje in westelijke richting, dat fortpaadje gemoemd werd. Daarna over het viaduct naar de hei.

Aan weerzijde van het fortpaadje, waren volkstuintjes, onze buurman pachtte daar een stukje grond.

Bijna iedereen had een stukje grond om voor eigengebruik wat groenten te telen. (dat scheelde weer wat in de beurs, maar pacht, mest en pootgoed kostte ook heel wat) en tijd, werd die tijd niet gerekend.

Dus het zal nog wel iets opgeleverd hebben.

Maar nu dat fortpaadje (er waren vijf forten in een soort boog ter bescherming van de stad Naarden, liep vanaf de Laarderweg naar het niet meer bestaande fort.

Tot 1926 waren er rondom die forten verboden kringen, er mocht daar alleen maar houten bouw plaats vinden, het moest in geval van oorlog snel geslecht kunnen worden ter bescherming van de stad Naarden.

1; aan de Karnemelksloot, dit fort bestaat nog steeds.

2; nabij de zandzee en 3 bij het viaduct vandaar dat ons paadje fortpaadje genoemd werd of alle forten echt in steen waren opgetrokken dat weet ik niet. Misschien waren sommige alleen een dubelsteens muur met een spitse bovenrand met schietgaten. Een dergelijke muur omringt ook WERK IV.

Fort nr. 4 kennen we nog steeds en wordt momenteel gerestaureerd.

De naam is dan ook WERK IV Het is een met een zandlaag overkoepeld fort.

We speelden daar als jongens, het was verlaten leeg, maar verboden terrein voor ons. De bewaker was Kippersluis, jongens! wegwezen! daar komt de Fortkip!

Het 5e en laatste fort lag tegenover De Gooise Boer

Aan de overkant van de rijksweg Amsterdam - Amerfoort.

Op de omslag van het boekje -Geschiedenis van Bussum- van A.J.N. Fabius (tweede druk) de eerste naam was -De geschiedenis van een honderdjarige- is een kaart uit circa 1870 afgedrukt op die kaart zijn de forten heel goed te traceren ook de projectering van de consessie voor de komende spoorweg.

Toen de consessie voor de spoorlijn werd afgegeven, zijn de forten werk2 en werk3 waarschijnlijk geruimd. Men besefte toen al dat het een schrale verdigings voorpost was voor een dergelijk klein vestingstadje .

Toch gooide de regerende instanties een gedeelte van het Spaanderderswoud nog vol met betonnen (bunkers) ze zijn nooit van pas gekomen.

==========================================================================

DE HANDEN VAN MIJN VADER

In je handen had de schepper volgens mijn vader merktekens gezet, de handlijnen in je handpalmen vormen een M en omgekeerd een W, die betekenen MENS WERK, nou, ik kan zeggen hij heeft met zijn handen veel werk verricht.

Hij had grote werkzame handen die als hij ze strekte tussen de punt van zijn duim en die van zijn wijsvinger vijfentwintig centimeters bedroegen.

Ik zie hem nog behanglinnen spannen, in zijn mond een handje vertinde spijkers, met zijn linkerhand werd het linnen gespannen.

Met de rechterhand waarin de behangershamer werd een spijkertje uit de mond genomen en met zijn duim door het behanglinnen in het hout van de tengel gedrukt, de hamer wipte in zijn hand naar de juiste stand, twee klappen op de kop van de spijker. altijd raak! en weer verder met dezelfde regelmaat.

(probeer maar eens zo een vertind spijkertje met je duim in het hout te zetten)

Ik keek altijd met bewondering naar het werken van zijn handen. ze konden kracht tonen, maar ook mooie dingen maken zoals Fries-houtsnijwerk, hij maakte heel mooi decoratiewerk, en was een goed amateur-schilder.
Zijn handen konden ook strelen, kleine kinderen, vooral zijn kleinkinderen waren gek met Opa.

======================================================================

OP DE STANG VAN DE FIETS NAAR EEMNES

Het waren de WINTERBOEKEN er stonden er een hele reeks in mijn vaders boekenkast (Wie, geboren zo rond de jaren veertig of vijftig van de vorige eeuw, kent niet het begrip Winterboek van de Margriet? Boeken met juweeltjes van omslagen van o.a. Jan Lutz, Eppo Doeve, Piet Maree, Fiep Westendorp en vol met strips, spannende verhalen, puzzels, raadsels en goocheltrucs.).

Nu via Internet kom ik er pas achter welke oorsprong deze boeken hebben, Er stonden ook vaak verhalen op rijm in en bij ons in het gezin was het een soort spel, wie het beste een dergelijk vers uit zijn hoofd leerde en kon opzeggen.

Mijn vader kende mijn gave, de tweede werleldoorlog was nog maar net (wat ons land betrof) door Nederland verloren.

Kom joh ik ga naar ome Bertus in Eemnes, ga je mee voorop de fiets? Het was eigenlijk geen vraag maar we gingen gewoon!
Op de stang voorop de fiets moest ik vooral een versje reperteren dat mij van tevoren haast wel zeker ingeprent was.

Dat klonk zo: (ik vind het toch maar beter dit vers niet op internet te zetten)

In Eemnes aangekomen, ik had slapende benen van de harde stang maar
toen dit wat gezakt was, werd ik op een stoel gezet en zei mijn vers op.
Ome Bertus zei, pas op Henk met dit soort dingen.

Laat hij het niet op zo straat naar buiten brengen. Dan pakken ze jou aan!

Mijn neven dachten waarschijnlijk , nou die durft, ik mocht met ze mee op de bokkenkar
En mocht tussen hen in op de bok (van de kar) zitten. Mijn dag was goed!

============================================================================

Zo miijn vader wat gesloten en soms somber was was mijn moeder een tegenpool van hem. Het schijnt een goede aanvulling te zijn in een huwelijk.

Tevreden en blij met de kleinste dingen.

En als er iets mis was wist zij het met een kwinkslag op te lossen.

Liep de buurt uit, voor een jong bruidspaar en er werd achter de hand gefluisterd, "je weet zeker wel dat ze moeten !" mijn moeder: nou wat zou dat? het is toch een fantastisch stel? !!,

Bindt ze allemaal een bel om, horen en zien zou je vergaan.

Oorlogstijd, ze kwam bij de groenteboer, volle winkel en kreeg het verhaal te horen,

Ja, de groenteboers-vrouw kenden een heel groot gezin en met maar een pondje rijst te eten.

Zij gingen voor het eten op in gebed, en hielden nog eten over.

Moeder, O!, O!, dan weet ik wel wat er aan de hand was, die rijst was niet te eten, die was vreselijk aangebrand.

We waren mag ik gerust wel zeggen arm. Maar zij zei dikwijls, toch zijn we rijk. Kijk maar eens om je heen.

Zij wist met hangen en wurgen de touwtjes aan elkaar te binden.

Ging het jou even niet naar wens.

Doorlopen joh, morgen ben je het weer vergeten.

En als er echt iets was, Ga er op af en praat het uit. Niet zitten zeveren daar heb je 'n ander in je omgeving ook maar mee.

Wat krijgt u van me moeder? Als ze weer eens voor je klaar had gestaan: 'n hand, 'n zoen en 'n gulden, zei ze dan lachende.

En als je bij een ander wat probeerde te bereiken: Voor een handje kleingeld en -n kistje sigaren is bij hem-haar veel gedaan krijgen.

Ze ging zingend door het leven "Er waren eens twee koningskinderen, zij hadden elkaar zo lief, ze konden bij elkander niet komen het water was veel te diep".

Volgende keer verder

ONS HUIS:

Arbeiderswoningen uit de jaren dertig, gebouwd in opdracht van de R.K. Bouwverenig St. Joseph.

Kamer-suite (geen schuifdeuren maar gewoon deuren die de kamer indraaide) donkerbruin schilderwerk met maisgele panelen, donker gebeitste schrotenplafonds, schuurpleisterwerk op de wanden waarvan de boveste 50 cm (fries) afgescheiden werd door een bruingeschilderde schilderijlist.

De achterkamer had de volle breedte van het huis.

Een uitgebouwde keuken (halfsteens met achterin die keuken een toilet met voorportaal) de buitendeur van deze keuken was strak tegen het huis.

Je was van buitenaf met twee stappen in de achterkamer. Tegenover de kamer-keukendeur de kamer-gangdeur daartussen in de kamer de schoorsteenmantel gefankeerd door twee legkasten.

Als er in de winter iemand door de keuken naar binnen kwam en doorliep naar de gang, om zijn/haar jas op te hangen was meteen alle warmte uit de kamer. (het was een goed doordacht bouwplan voor arbeiderswoningen onder architecteur .........)

De schoorsteen aan de andere kant van de kamer was de betere oplossing geweest.

We kenden in dat huis 1 koude keukenkraan. Voor alle voorkomede bezigheden: koken, de was, tanden poetsen en verder toilet. In de regel woonde er in dat huis van groot tot klein gemiddeld 9 personen.

Men moest vaak vanwege het weer de was binnen te drogen. Dan kwam er nog weer eens (zeg maar veel), vocht in huis.

Als we een vorstperiode meemaakten kwam er op de muur van die halfsteens keuken een laag ijs waar je u tegen moest zeggen de keuken en het toilet veranderde in zo'n periode tot een soort iglo, zelfs het schroten-plafond was met ijs bedekt.

Aan de gietijzeren stortbak van het toilet hingen de ijspegels.

Na de oorlog (40-45) hebben we veel, eigenhandig aan het huis vertimmerd en het kwam prima in de verf.

Het was er goed om te wonen, Mijn ouders hebben dat dan ook tot aan eind jaren zeventig gedaan. Ik hield in alle opzichten van dat huis.

==========================================================================

DE MEIKEVER OP DE RUG

Na je werk moest je vaak wachten om op je beurt bij de kraan te komen, het was zomer ik denk zo ongeveer jaren 54. We werkten toen in de 's middags nog tot haf-zes.

Ik had de hele dag onder de lijst gestaan verf te schrapen de verfschilvers vielen dan tussen je kleren en plakten op je lijf dus na het eten en de afwas, was ik aan de beurt om de verfschilvers van mijn lijf te wassen.

Toen ik met mijn blote lijf daar stond, kwam mijn jongste zus binnen. Voelde opeens wat gekriebel en er liep een meikever op mijn schouder. Ik weet niet hoe ik aan de reactie kwam.

Zij stond nog steeds naast me zomers gekleed in een jurk met wijde hals. Ik liet de kever in haar jurk verdwijnen. Nou de poppen aan het dansen,

Gillend de straat op en ik in m'n onderbroek er achteraan. Til, Til, kom hier ik pak hem er wel uit!

Dat, mocht natuurlijk ook niet, zij kwam uiteindelijk het huis weer in waar denk ik dat mijn moeder haar van die meikever verloste.

Snikkend kwam het er uit. En, (snik), ik, (snik), vond, (snik), vond mezelf geweldig, (snik) dat ik het durfde die meikever te pakken (en nog een huilbui toe).

EINDE VERHAAL